Toggle navigation
Hulpaanbieders hebben allen een verantwoordelijkheid in het omgaan met verontrusting. Indien zij hier zelf tegen de grenzen aanbotsen en twijfelen of de hulpverlening nog verder in het vrijwillige kader kan plaatsvinden, kunnen zij beroep doen op een gemandateerde voorziening: het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) en het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ). 

Het OCJ onderzoekt of het in verontrustende situaties noodzakelijk is om van overheidswege hulp op te starten of verder te zetten (mandaat maatschappelijke noodzaak). Het heeft verschillende taken:

  • consult bieden aan hulpverleners die vastlopen in een verontrustende situatie maar hier zelf nog verder in aan de slag willen gaan;
  • onderzoeken of het  maatschappelijke noodzaak is om tussen te komen in situaties van verontrusting (case-onderzoek);
  • het opvolgen van een verontrustende situatie in geval van maatschappelijke noodzaak en het installeren van hulpverlening (casemanagement);
  • indien nodig doorverwijzen naar het Openbaar Ministerie voor gerechtelijke jeugdhulp.

Vanuit hun specifieke mandaat gaan consulenten OCJ tot het uiterste om samen met jongeren, ouders en hun netwerk, en al dan niet professionele hulp, mee hoop te creëren voor de toekomst opdat kinderen en jongeren veilig zouden kunnen opgroeien.

Om een verschil te maken in situaties van verontrusting, zet men in op relaties aangaan; niet alleen met het kind of de jongere en zijn netwerk, maar ook met hulpverlenende partners. Bijkomend vraagt de positie van de consulent de veiligheid centraal te zetten. Consulenten werken vanuit de basis- en onderzoeksprincipes van Signs of Safety. Dit is een oplossings- en krachtgerichte benadering die tegelijk  verbinding toe laat, vanuit de krachten van het netwerk te werken én steeds de focus op de veiligheid van het kind te houden.

Consult OCJ

Jeugdhulpaanbieders kunnen terecht bij het OCJ voor consult. De consultfunctie is erop gericht om de verontrusting  helder te krijgen en pistes aan te reiken die de horizon van de consultvrager kunnen verbreden, zodat deze weer openingen en opties ziet om verder aan de slag te gaan. Het ‘eigenaarschap’ blijft bij de consultvrager.

In 2016 zijn totaal 1.760 consultvragen gesteld. Ten opzichte van 2015 is het aantal consultvragen in regio Antwerpen gedaald, maar  sterk gestegen in Oost-Vlaanderen ( 2015: n= 229) en Vlaams-Brabant en Brussel (2015: n=372). De meeste consultvragen betreffen een concrete situatie waarover men verontrust is.

Tabel: Soort consultvraag per consultteam
(teleenheid: consultvragen)
Soort vraag Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams- Brabant- Brussel West-Vlaanderen Totaal %
Algemeen advies 10 7 16 2 9 44 2,50%
Bespreking concrete situatie 291 374 241 400 279 1.585 90,10%
Informatie 17 17 36 29 32 131 7,40%
Totaal 318 398 293 431 320 1.760 100,00%
% 18,10% 22,60% 16,60% 24,50% 18,20% 100,00%  
(Bron: Consulto)

 

Maatschappelijke noodzaak

Een aanmelding bij het OCJ is een (schriftelijk) contact met het oog op het laten onderzoeken van de maatschappelijke noodzaak tot hulpverlening en die vertrekt vanuit een verontrusting over de veiligheid en ontplooiingskansen van de minderjarige.

Onderstaande tabel geeft het aantal unieke aanmeldingen bij de OCJ in 2016. Een unieke aanmelding staat voor 1 procedure mano (maatschappelijke noodzaak):

  • indien een jongere meerdere keren wordt aangemeld voor onderzoek mano, worden meerdere procedures opgestart en geteld;
  • wanneer er verschillende meldingen voor een jongere binnen één procedure zijn, worden deze hier niet geteld.

In totaal zijn er 5.162 aanmeldingen (+ 21% ten opzichte van 2015). In totaal zijn 5.075 unieke minderjarigen aangemeld, dus los van het aantal aanmeldingen voor deze jongere.  

De meeste aanmeldingen gebeuren in de regio Oost-Vlaanderen, gevolgd door Antwerpen en West-Vlaanderen. 57% van de minderjarigen is jonger dan 12 jaar op het moment van de aanmelding.

Tabel: Aantal unieke aanmeldingen OCJ per regio
(teleenheid: unieke aanmeldingen)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant - Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 342 224 372 165 303 1.406 27,24%
6-11 jaar 405 253 369 203 340 1.570 30,41%
12-17 jaar 516 373 549 320 426 2.184 42,31%
18-21 jaar 1 0 0 0 1 2 0,04%
Totaal 1.264 850 1.290 688 1.070 5.162 100,00%
% 24,49% 16,47% 24,99% 13,33% 20,73% 100,00%  
(Bron:Domino)
Aanmelden bij het OCJ:
  • Parket
  • een partner in de integrale jeugdhulp meldt een minderjarige aan via een motivatie-document (M-doc);
  • iemand buiten integrale jeugdhulp meldt telefonisch of schriftelijk aan;
  • een cliëntsysteem kan zelf ook aanmelden.

Na de aanmelding van een vermoeden van maatschappelijke noodzaak, start het OCJ steeds een onderzoek.

In alle regio’s is het Parket de grootste aanmelder met iets meer dan de helft van de aanmeldingen (+  33% ten opzichte van 2015: n= 2.161) Daarnaast vinden vooral de CLB de weg naar het OCJ om verontrustende situaties aan te melden. Ook voorzieningen Jongerenwelzijn kennen de weg.

Een kleiner percentage jongeren en gezinnen meldt zichzelf aan. Aanmeldingen vanwege andere sectoren situeren zich vooral binnen de gezondheidszorg.

Aanmeldingen OCJ en SDJ verwijzen naar aanmeldingen die vanuit deze diensten gebeuren bij een OCJ. Dit is bv. het geval bij dossiers waarin broers of zussen zich ook in een verontrustende situatie bevinden en ook beslist is tot het opstarten van de procedure mano.

Ten opzichte van 2015:

  • de aanmeldingen door het VAPH (2015: n= 127) en het cliëntsysteem (2015: n= 270) zijn beiden met 30% gedaald;
  • de daling bij het VAPH is mogelijk te verklaren door de stijging van het aantal aanmeldingen vanwege het CLB/ CLB-MDT (+ 30%, n= 448/375). Gezien het CLB vaak al betrokken is voor de diagnostiek, nemen zij misschien ook de rol van aanmelder naar de gemandateerde voorziening op;
  • een andere opmerkelijke stijger is het CAW: + 42% (2015: n=52).
Tabel: Aantal aanmeldingen per soort aanmelder en per regio
(teleenheid: aanmeldingen)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant - Brussel West-Vlaanderen Totaal  %
CAW 20 16 6 21 11 74 1,50%
CGG 11 36 9 13 20 89 1,80%
CLB 190 54 118 161 57 580 11,40%
CLB-MDT 35 101 170 42 136 484 9,50%
JWZ 80 33 81 79 64 337 6,60%
K&G 26 23 44 20 56 169 3,30%
VAPH 17 11 24 11 26 89 1,70%
OCJ 49 22 31 23 45 170 3,20%
VK 4 1 7     12 0,20%
SDJ 25 16 6 4 14 65 1,30%
Parket 766 451 801 290 568 2876 53,60%
Cliëntsysteem 10 46 28 25 80 189 3,50%
Andere 41 66 15 39 42 203 2,40%
Totaal 1.274 876 1.340 728 1.119 5.337 100,00%
(Bron:Domino)

Het doel van het onderzoek van de aangemelde verontrustende situatie is drieledig:

  1. een exploratie van de mate van verontrusting;
  2. de noodzaak om als ‘overheid’ in te grijpen op de hulpverlening (maatschappelijk noodzakelijke jeugdhulpverlening);
  3. de mogelijkheden om verder te gaan in de vrijwillige hulpverlening, dan wel de noodzaak om gerechtelijke hulpverlening op te starten.

Onderstaande tabel geeft de uitkomst van de aanmeldingen van 2016:

  • het is niet maatschappelijk noodzakelijk om in te grijpen;
  • het is maatschappelijk noodzakelijk om in te grijpen. Dan zijn er twee scenario’s:
  • het casemanagement (CM)  wordt gestart: Het OCJ neemt de regie en organisatie van de hulpverlening op zich. Dit is het geval wanneer hulp noodzakelijk is, zonder dat een expliciete hulpvraag aanwezig is. Het is noodzakelijk om continu aanklampend, bemiddelend en onderhandelend te werken om in een buitengerechtelijke context te blijven of om veiligheid te kunnen garanderen;
  • de zaak wordt doorverwezen naar het Openbaar Ministerie;
  • conclusie onderzoek is nog niet geweten: op het moment van de meting (begin maart 2017) is de procedure nog lopende (dit is vooral het geval voor aanmeldingen in oktober-november- december 2016).

Van het totaal aantal aanmeldingen is reeds in 74% (n=3.959) van de procedures een beslissing genomen.  Voor 72% van de aanmeldingen wordt ingeschat dat de tussenkomst van OCJ maatschappelijk noodzakelijk is (n= 2.824). In 2015 was dit 66,5%. In de meeste aanmeldingen waarvoor reeds een beslissing genomen is (71,3%), wordt beslist tot maatschappelijke noodzaak. Voor 21% van de aanmeldingen (n=596) is men overtuigd van de maatschappelijke noodzaak maar is het nodig om door te verwijzen naar het Parket.

Tabel: Resultaat aanmelding naar regio
(teleenheid: aanmeldingen)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaam-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal
Mano:CM 651 368 501 246 462 2.228
Mano: Doorverwijzing Parket 149 99 146 107 95 596
% 18,60% 21,20% 22,60% 30,30% 17,10% 21,10%
Totaal  800 467 647 353 557 2.824
% 80,70% 73,20% 65,00% 72,30% 68,10% 71,90%
Geen mano 191 171 348 135 261 1.106
Totaal 991 638 995 488 818 3.930
Geen beslissing 283 238 345 240 301 1.407
  1.274 876 1.340 728 1.119 5.337
(Bron:Domino)

Partners binnen integrale jeugdhulp kunnen een vermoeden van maatschappelijke noodzaak goed inschatten. Enkel bij aanmeldingen door het Parket en vanuit andere sectoren (vooral binnen de gezondheidszorg)  wordt minder vaak beslist tot mano. Doorverwijzingen naar het Parket gebeuren:

  • het vaakst bij aanmeldingen door het OCJ, de VK en het CAW;
  • het minst bij aanmeldingen door het CGG en het cliëntsysteem zelf.
Tabel: Resultaat aanmelding naar soort aanmelder
(teleenheid: aanmeldingen)
  Beslissing (Nog) niet ingevuld Totaal
  MaNo Geen MaNo Totaal    
  MaNo Doorverwijzing parket na CO Totaal    
CAW 33 14 47 13 60 14 74
  70,20% 29,80% 78,30% 21,70% 81,10% 18,90%  
CGG 50 7 57 13 70 19 89
  87,70% 12,30% 81,40% 18,60% 78,70% 21,30%  
CLB 277 81 358 70 428 152 580
  77,40% 22,60% 83,60% 16,40% 73,80% 26,20%  
CLB-MDT 232 65 297 67 364 120 484
  78,10% 21,90% 81,60% 18,40% 75,20% 24,80%  
JWZ 147 44 191 41 232 105 337
  77,00% 23,00% 82,30% 17,70% 68,80% 31,20%  
K&G 91 26 117 16 133 36 169
  77,80% 22,20% 88,00% 12,00% 78,70% 21,30%  
VAPH 46 10 56 16 72 17 89
  82,10% 17,90% 77,80% 22,20% 80,90% 19,10%  
OCJ 87 41 128 7 135 35 170
  68,00% 32,00% 94,80% 5,20% 79,40% 20,60%  
VK 6 2 8 1 9 3 12
  75,00% 25,00% 88,90% 11,10% 75,00% 25,00%  
SDJ 29 8 37 9 46 19 65
  78,40% 21,60% 80,40% 19,60% 70,80% 29,20%  
Parket 1.063 260 1.323 778 2.101 775 2.876
  80,30% 19,70% 63,00% 37,00% 73,10% 26,90%  
Cliëntsyst. 82 14 96 14 110 79 189
  85,40% 14,60% 87,30% 12,70% 58,20% 41,80%  
Andere 85 24 109 61 170 33 203
  77,98% 22,02% 64,12% 35,88% 83,74% 16,26%  
(Bron:Domino)

Wanneer in een situatie sprake is van maatschappelijke noodzaak én er is geen vrijwilligheid of samenwerking meer mogelijk met het cliëntsysteem, dan overweegt het team om de stap naar het Openbaar Ministerie  te zetten. Dan informeert de consulent de jongere en/of ouders (telefonisch, face to face …) over:

  • de aanwezige zorgen (verontrusting  – geen medewerking aan het OCJ- maatschappelijke noodzaak …);
  • een mogelijke doorverwijzing naar het Openbaar Ministerie;
  • de bodemeisen en minimale verwachtingen die zijn opgesteld in het team.

De consulent informeert hen ook over de mogelijkheid tot een tegensprekelijk debat. Zij kunnen kiezen om al dan niet op het aanbod in te gaan. Het tegensprekelijk debat is een gesprek in aanwezigheid van de consulent die het dossier begeleidt en de teamverantwoordelijke. De ouders of opvoedingsfiguren worden samen met de minderjarige (afhankelijk van maturiteit en leeftijd) uitgenodigd. Zij mogen een vertrouwenspersoon meenemen.

In dit gesprek worden de zorgen geduid en de bodemeisen of minimale verwachtingen opnieuw besproken. De jongeren en ouders krijgen de kans om elk vanuit hun eigen perspectief te reageren. Er wordt gestreefd om in gesprek te gaan en zo te komen tot afstemming. Dit gaat niet meer over het WAT (= de minimale verwachtingen), wel over het HOE. Het tegensprekelijk debat wordt afgesloten met het al dan niet akkoord gaan van de jongere of ouders met de bodemeisen. Afhankelijk hiervan, blijft het OCJ verder betrokken of zal het doorverwijzen naar het Openbaar Ministerie. Indien de jongere of ouders akkoord gaan, wordt een engagementsverklaring opgemaakt.

Meestal wordt niet gekozen voor een tegensprekelijk debat (n= 887). Tijdens het casemanagement wordt iets vaker op dit aanbod ingegaan.

In heel Vlaanderen is in 1.452 dossiers overwogen om door te verwijzen naar het Openbaar Ministerie (+ 34% ten opzichte van 2015). De betrokkenheid van het OCJ wordt na 23% (n= 131) van de tegensprekelijke debatten verder gezet.

Tabel: Aantal tegensprekelijke debatten per uitkomst, per fase
(teleenheid: tegensprekelijke debatten)
   Cliënt wil geen gesprek Tegensprekelijk debat  
   Voortzetting binnen OCJ  Doorverwijzing parket Totaal
fase: case-onderzoek 457 36 158 651
fase: case-management 430 95 276 801
Totaal 887 131 434 1.452
(Bron: Domino)

De meeste kinderen en jongeren die zijn doorverwezen naar het Parket, worden oorspronkelijk ook aangemeld door het Parket of door het CLB.

Tabel: % aantal doorverwijzingen naar het Openbaar Ministerie naar soort aanmelder, per fase
  CO CM Totaal
CAW 2,43% 1,51% 2,01%
CGG 1,02% 2,11% 1,52%
CLB 13,54% 14,35% 13,91%
CLB-MDT 10,22% 14,65% 12,25%
JWZ 5,87% 8,61% 7,13%
K&G 6,13% 5,89% 6,02%
VAPH 2,17% 3,32% 2,70%
OCJ 7,79% 4,68% 6,37%
VK 0,38% 0,00% 0,21%
SDJ 1,53% 1,66% 1,59%
Parket 43,04% 36,10% 39,86%
Cliëntsysteem 2,55% 5,44% 3,88%
Andere 3,32% 1,66% 2,56%
Totaal 100,00% 100,00% 100,00%
(Bron: Domino)