Toggle navigation

Vergelijk met vorig jaar (2015):

Centra voor geestelijke gezondheidszorg

Onderstaande tabel toont het aantal unieke kinderen en jongeren bij de centra voor geestelijke gezondheidszorg (CGG) in 2016, per leeftijdsgroep en per regio. Elk kind of elke jongere is dus slechts één keer meegeteld. In totaal behandelen de CGG in 2016 19.887 unieke kinderen en jongeren jonger dan 25 jaar. Dat is een kleine stijging ten opzichte van 2015.

Onderstaande gegevens zijn gebaseerd op het aantal zorgperiodes, dat is de behandeleenheid in een CGG. Sommige kinderen en jongeren kennen per jaar meer dan 1 zorgperiode: als iemand een behandeling krijgt voor 2 verschillende problemen, of een behandeling in het begin en één later op het jaar, zijn dat 2 afzonderlijke zorgperiodes. Daarom zijn er elk jaar iets meer zorgperiodes dan unieke minderjarigen. In totaal zijn er in 2016 20.150 actieve zorgperiodes van 0- tot 25-jarigen in de CGG.

Tabel: Aantal unieke kinderen en jongeren van 0 t.e.m. 25 jaar binnen CGG
(teleenheid: kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant - Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 176 49 92 100 55 472 2,4%
6-11 jaar 1.104 882 1.049 1.036 842 4.913 24,7%
12-17 jaar 1.578 1.334 1.715 1.397 1.241 7.265 36,5%
18-21 jaar 860 798 882 662 654 3.856 19,4%
22-25 jaar 936 671 675 559 540 3.381 17,0%
Totaal 4.654 3.734 4.413 3.754 3.332 19.887 100,0%
% 23,4% 18,8% 22,2% 18,9% 16,8% 100,0%  
(Bron: elektronisch patiëntendossier)

Een kind of jongere komt rechtstreeks of via een professionele doorverwijzer bij een CGG. Zo zijn de CLB een belangrijke verwijzer naar de CGG voor kinderen en jongeren (tot en met 17 jaar). Vanaf 18 jaar komt de huisarts sterker in beeld als verwijzer.

‘Initiatief jongere of omgeving' staat voor jongeren die rechtstreeks naar een CGG stappen, al eerder in een CGG behandeling kregen of via vrienden of familie bij het CGG terecht komen.

Diensten Kind en Gezin zijn verwijzingen vanuit consultatiebureaus, vertrouwenscentra kindermishandeling (VK) en centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG).

Voor de sectoren CLB en CAW is er geen onderscheid tussen typemodules brede instap en vervolghulp RTJ.

De soorten verwijzers zijn iets anders gegroepeerd in vergelijking met 2015. Wel blijven de belangrijkste verwijzers dezelfde:

  • gezondheidszorgdiensten;
  • initiatief van de jongere of omgeving;
  • CLB;
  • huisarts.

Sommige kinderen of jongeren kennen per jaar meer dan 1 zorgperiode: als iemand een behandeling krijgt voor 2 verschillende problemen, of een behandeling in het begin en één later op het jaar, zijn dat 2 afzonderlijke zorgperiodes. Daarom zijn er elk jaar iets meer zorgperiodes dan unieke minderjarigen.

Tabel: Verwijzers CGG 0-25 jarigen
(teleenheid: zorgperiodes)
  0-5 jaar 6-11 jaar 12-17 jaar 18-21 jaar 22-25 jaar Totaal
  n % n % n % n % n % n %
CAW 13 2,7% 92 1,9% 168 2,3% 178 4,5% 216 6,3% 667 3,3%
CGG 38 8,0% 156 3,2% 253 3,4% 172 4,4% 115 3,3% 734 3,6%
CLB 47 9,9% 1.053 21,3% 1.372 18,6% 377 9,6% 37 1,1% 2.886 14,3%
JWZ 30 6,3% 391 7,9% 678 9,2% 193 4,9% 50 1,5% 1.342 6,7%
K&G 31 6,5% 84 1,7% 40 0,5% 2 0,1% 15 0,4% 172 0,9%
VAPH 10 2,1% 75 1,5% 118 1,6% 80 2,0% 56 1,6% 339 1,7%
OCJ 0 0,0% 7 0,1% 16 0,2% 4 0,1% 0 0,0% 27 0,1%
VK 5 1,1% 32 0,6% 64 0,9% 12 0,3% 9 0,3% 122 0,6%
Jeugdrechtbank 6 1,3% 36 0,7% 100 1,4% 19 0,5% 2 0,1% 163 0,8%
SDJ 1 0,2% 2 0,0% 5 0,1% 0 0,0% 1 0,0% 9 0,0%
Politie 6 1,3% 14 0,3% 88 1,2% 51 1,3% 19 0,6% 178 0,9%
Parket  0 0,0% 1 0,0% 29 0,4% 13 0,3% 1 0,0% 44 0,2%
Crisishulp 0 0,0% 5 0,1% 19 0,3% 0 0,0% 0 0,0% 24 0,1%
School 24 5,1% 453 9,2% 501 6,8% 335 8,5% 126 3,7% 1.439 7,1%
Gezondheidszorg  140 29,5% 1.064 21,5% 1.718 23,3% 1.097 27,9% 1.156 33,6% 5.175 25,7%
Psycholoog/psychiater 31 6,5% 418 8,5% 554 7,5% 258 6,6% 241 7,0% 1.502 7,5%
Huisarts 38 8,0% 303 6,1% 602 8,2% 473 12,0% 626 18,2% 2.042 10,1%
OCMW 10 2,1% 44 0,9% 31 0,4% 71 1,8% 132 3,8% 288 1,4%
Cliëntcontext 83 17,5% 931 18,8% 1.521 20,7% 929 23,7% 906 26,3% 4.370 21,7%
Overige initiatieven 5 1,1% 34 0,7% 44 0,6% 50 1,3% 100 2,9% 233 1,2%
Andere  32 6,7% 207 4,2% 297 4,0% 244 6,2% 362 10,5% 1.142 5,7%
Onbekend 1 0,2% 8 0,2% 16 0,2% 13 0,3% 14 0,4% 52 0,3%
Alle zorgperiodes 475 100,0% 4.946 100,0% 7.360 100,0% 3.926 100,0% 3.443 100,0% 20.150 100,0%
(Bron: elektronisch patiëntendossier)

De meest voorkomende aanmeldingsredenen zijn gegroepeerd in grotere categorieën. Er zijn duidelijke verschillen tussen meisjes en jongens. Meisjes worden vaker aangemeld met psychische problemen, jongens met gedragsproblemen. De verdeling in 2016 ziet er quasi identiek uit aan 2015.

Tabel: Aanmeldingsredenen 0-25 jarigen: jongens vs. meisjes
(teleenheid: zorgperiodes)
  Jongens Meisjes
  n % n %
Psychische problemen 2.275 22,2% 3.958 40,0%
Gedragsproblemen 2.299 22,4% 924 9,3%
Interactieproblemen 1.233 12,0% 1.556 15,7%
Verwerkingsproblemen 946 9,2% 1.265 12,8%
Ontwikkelingsproblemen 1.293 12,6% 496 5,0%
Verslavingsproblemen 817 8,0% 167 1,7%
Slachtofferschap 214 2,1% 532 5,4%
Specifieke modaliteit 302 2,9% 213 2,2%
Geen klachten 287 2,8% 225 2,3%
Klachten m.b.t. lichamelijk-fysiologisch functioneren 150 1,5% 309 3,1%
Klachten m.b.t. realiteitscontrole 183 1,8% 107 1,1%
Maatschappelijke problemen/Sociale inschakeling 159 1,6% 79 0,8%
Onbekend 62 0,6% 56 0,6%
Ander probleem 23 0,2% 13 0,1%
Betrokken bij hulp aan hoofdcliënt 3 0,0% 4 0,0%
Alle aanmeldingsredenen 10.246 100,0% 9.904 100,0%
(Bron: elektronisch patiëntendossier)

De concrete aanmeldingsredenen bij jongens en meisjes, per leeftijdsgroep, staan hieronder weergegeven:

  • de leeftijdscategorie 0 - 11 jaar wordt in 2016 opgesplitst in 2 categorieën. Dat maakt vergelijken moeilijk;
  • in de leeftijdscategorie 12 - 17 jaar is de top 5 gelijk aan die in 2015, zij het in een andere volgorde;
  • de leeftijdscategorie 18 - 25 jaar wordt vanaf 2016 eveneens opgesplitst in 2 categorieën.
Tabel: top 5 aanmeldingscategorie per leeftijdscategorie – jongens
(teleenheid: zorgperiodes)
0 - 5 jaar 6 - 11 jaar 12 - 17 jaar 18-21 jaar 22-25 jaar
top 5 n top 5 n top 5 n top 5 n top 5 n
Ouder-kind emotioneel/hechting 50 Oppositioneel gedrag bij kinderen 309 Agressie 264 Depressieve stemming 267 Depressieve stemming 238
Ouder-kind opvoedingsprobleem 28 Agressie 236 Depressieve stemming 247 Illegale drugs 232 Illegale drugs 172
Oppositioneel gedrag bij kinderen 25 Aandacht en concentratieproblemen 222 Oppositioneel gedrag bij kinderen 243 Agressie 105 Agressie 121
Geen klachten 19 Ouder-kind emotioneel/hechting 192 Aandacht en concentratieproblemen 241 Angsten/fobie 89 Angsten/fobie 108
Agressie 17 Angsten/fobie 178 Autisme 222 Suicidepoging/gedachten 78 Dader seksueel geweld 66
(Bron: elektronisch patiëntendossier)
Tabel: top 5 aanmeldingscategorie per leeftijdscategorie – meisjes
(teleenheid: zorgperiodes)
0 - 5 jaar 6 - 11 jaar 12 - 17 jaar 18-21 jaar 22-25 jaar
top 5 n top 5 n top 5 n top 5 n top 5 n
Ouder-kind emotioneel/hechting 43 Ouder-kind emotioneel/hechting 204 Depressieve stemming 476 Depressieve stemming 472 Depressieve stemming 586
Oppositioneel gedrag bij kinderen 17 Angsten/fobie 159 Suicidepoging/gedachten 333 Angsten/fobie 196 Angsten/fobie 207
Ouder-kind opvoedingsprobleem 15 Verwerking echtscheiding ouders 134 Ouder-kind emotioneel/hechting 303 Suicidepoging/gedachten 158 Suicidepoging/gedachten 81
Getuige intrafamiliaal geweld 13 Oppositioneel gedrag bij kinderen 128 Angsten/fobie 210 Ouder-kind emotioneel/hechting 110 Ander psychisch probleem 79
Geen klachten 13 Depressieve stemming 82 Oppositioneel gedrag bij kinderen 142 Stress 76 Trauma 67
(Bron: elektronisch patiëntendossier)

Onderstaande tabel toont het aantal actieve zorgperiodes in 2016 (die ook in 2016 zijn beëindigd) en het aantal hulpactiviteiten in 2016, per leeftijdsgroep. Dit levert een gemiddeld aantal hulpactiviteiten per zorgperiode, per leeftijdsgroep. In vergelijking met vorig jaar is zowel de leeftijdsgroep 0 - 11 jarigen als 18 - 25 jarigen telkens gesplitst in 2 categorieën. Het gemiddelde ligt het laagst bij de jongste categorie.

CGG bieden een breed palet aan hulpactiviteiten:

  • indicatiestelling: intake, soorten diagnostische onderzoeken, adviesgesprek, cliëntoverleg …;
  • begeleiding: psychosociale begeleiding, groepsbegeleiding voor KOPP, specifieke groepsbegeleiding, huisbezoek …;
  • behandeling: individuele therapie, groepstherapie, speltherapie, gezinstherapie …;
  • activering: dagbesteding – educatie, dagbesteding – arbeidsgericht …;
  • psycho-educatie: sociale vaardigheidstraining …
Tabel: Kenmerken zorgperiodes CGG - 0-25 jarigen: aantal hulpactiviteiten
(teleenheid: zorgperiodes en hulpactiviteiten)
leeftijd aantal hulpactiviteiten aantal zorgperiodes gemidd. aantal hulpact. per zorgperiode
0-5 jaar 714 160 4,5
6-11 jaar 11.473 1.669 6,9
12-17 jaar 18.638 2.748 6,8
18-21 jaar 12.072 2.009 6,0
22-25 jaar 9.282 1.587 5,8
Totaal 52.179 8.173 6,4
(Bron: elektronisch patiëntendossier)

De gemiddelde waarde van de wachttijden kan vertekend worden door extreme waarden en geeft daarom niet altijd een waarheidsgetrouw beeld. Daarom zijn de hieronder cijfers aangevuld met percentiel 75. Dit geeft de maximale wachttijd weer voor de meerderheid (75%) van de kinderen en jongeren. De tabel toont:

  • hoelang een kind of jongere gemiddeld moet wachten op een 1e gesprek binnen CGG en binnen hoeveel dagen 75% van de minderjarigen een 1e gesprek krijgt;
  • hoelang een kind of jongere gemiddeld moet wachten tussen het 1e en het 2e gesprek en binnen hoeveel dagen 75% van de minderjarigen een 2e gesprek krijgt binnen CGG nadat het 1e gesprek heeft plaatsgevonden;
  • hoelang een kind of jongere gemiddeld moet wachten vanaf het moment van aanmelding tot de start van de behandeling, waarbij de start van de behandeling gelijk staat aan de 2e consultatie. Daarnaast staat in deze tabel ook binnen hoeveel dagen na aanmelding 75% van de minderjarigen een 2e consultatie krijgt.

In 2016 krijgt 75% van de 0- tot 25-jarigen een eerste afspraak in een CGG binnen 55 dagen na de aanmelding. Dat is gelijkaardig aan 2015.

Het eerste gesprek is meestal een intake, het tweede gesprek wordt doorgaans gezien als de start van de behandeling binnen CGG. In 2016 krijgt 75% van de 0- tot 25-jarigen een 2e consultatie in een CGG binnen 51 dagen na de 1e consultatie. Dat is langer in vergelijking met 2015 (45 dagen).

In 2016 kan 75% van de behandelingen bij 0- tot 25-jarigen starten binnen 125 dagen na de aanmelding in het CGG. Hierbij staat de start van de behandeling gelijk aan de 2e consultatie. Dat is opnieuw iets langer wachten dan in 2015 (116 dagen).

De langste wachttijden gelden ook in 2016 voor de 6- tot 11-jarigen.

Tabel: Wachttijden tussen aanmelding, eerste en tweede consultatie
(teleenheid: dagen)
  Wachttijd tot 1ste consult Wachtijd tss. 1ste en 2de consult Wachttijd van aanmelding tot 2de consult
leeftijd Gemiddelde Percentiel 75** Gemiddelde Percentiel 75** Gemiddelde Percentiel 75**
0-5 jaar 51 49 38 45 88 102
6-11 jaar 71 75 59 73 130 169
12-17 jaar 51 56 45 49 96 122
18-21 jaar 37 42 39 41 78 94
22-25 jaar 41 46 42 44 83 103
Totaal 51 55 47 51 98 125
(Bron: elektronisch patiëntendossier)

Centra algemeen welzijnswerk

In 2016 begeleiden de centra algemeen welzijnswerk (CAW) 7.575 jongeren onder de 26 jaar:

  • 39% is jonger dan 18 jaar;
  • 61% is tussen 18 en 25 jaar.

Jongvolwassenen zijn de doelgroep bij uitstek die bij het CAW terecht kan voor diverse begeleidingen. Deze zijn sterk op maat van de jongere, en worden samen met hem bepaald.

In vergelijking met 2015 is er een stijging van jongeren in begeleiding bij de CAW met 17%. De stijging is het sterkste in de provincies Limburg (+25%), Antwerpen (+23%) en Vlaams-Brabant-Brussel (+21%). Net zoals bij de brede instap heeft dat deels te maken met de ingebruikname van het We-Dossier binnen het justitieel welzijnswerk en een veralgemeende invoering van het We-Dossier bij alle diensten van de CAW.

Vooral de stijging bij de 12- tot 17-jarigen springt in het oog (+28%).

Tabel: Aantal kinderen en jongeren in begeleiding, volgens leeftijd en per provincie
(teleenheid: kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 202 126 138 172 97 735 9,7%
6-11 jaar 156 128 130 115 104 633 8,4%
0-11 jaar (niet verder in detail bekend) 72 5 23 27 18 145 1,9%
12-17 jaar 376 174 264 274 325 1.413 18,7%
18-21 jaar 411 204 325 295 314 1.549 20,4%
22-25 jaar 625 365 575 516 533 2.614 34,5%
18-25 jaar (niet verder in detail bekend) 158 47 117 80 84 486 6,4%
Totaal 2.000 1.049 1.572 1.479 1.475 7.575 100,0%
(Bron: CAW – We-Dossier 2016)

De meeste kinderen en jongeren zijn in begeleiding omwille van psychische en persoonlijke problemen (16%). De tabel toont dat minderjarigen in vele typemodules in begeleiding geholpen worden, dus niet alleen in de typemodules specifiek gericht op hen. De lijst van typemodules is niet gebaseerd op leeftijd maar op problematiek en typeaanbod. Veelal is de problematiek van de ouders bepalend of een kind of jongere mee betrokken wordt in een begeleidingsaanbod.

Bijvoorbeeld de bezoekruimte: Zowel de vrijwillige als de opgelegde begeleiding - vanuit een gerechtelijke instantie - maakt duidelijk dat kinderen en jongeren in begeleiding zijn binnen de context van een bezoekruimte omdat er een breuk is tussen hun ouders.

Het aantal jongeren dat een typemodule toegewezen krijgt (6.486), is niet gelijk aan het aantal jongeren in begeleiding (7.575) en het aantal begeleidingscasussen (5.595). In vele begeleidingscasussen zitten meerdere jongeren (ouders (-25j) en kind, broers - zussen). Sommige jongeren krijgen ook meerdere typemodules toegewezen, bijvoorbeeld als een jongere woonbegeleiding én een begeleiding voor psychische en persoonlijke problemen krijgt, al dan niet gelijktijdig maar beide wel in 2016.

Niet elke jongere in begeleiding is automatisch gebonden aan een typemodule. Zo zijn er in 2016 1.571 jongeren zonder aangeduide typemodule. Een jongere kan als cliënt aangeduid zijn in een gesprek in 2016, maar toch geen typemodule hebben toegekend, bv. wanneer de typemodule bij de ouders is aangeduid, en dus niet gelinkt is aan de jongere zelf.

Anderzijds zijn er typemodules waar de jongere als autonome cliënt/cliëntsysteem wordt beschouwd (bv. begeleid zelfstandig wonen voor jongvolwassenen). Ook daar wordt gekeken naar de context van de jongere, zijn sociaal netwerk en zijn gezinssituatie. Kortom: of een jongere als individu met zijn welzijnsvraag naar het CAW of JAC stapt of er via het cliëntsysteem terecht komt, doet geen afbreuk aan de individuele benadering en persoonlijke aandacht voor de jongere als cliënt.

In 2016 is er t.o.v. 2015 een prominente toename in onder meer:

  • de modules begeleid wonen (+158%, van 249 naar 644 begeleide personen van 0-25 jaar);
  • begeleiding basisrechten (+76%, van 114 naar 201 personen);
  • residentiële crisisbegeleiding (+46%, van 148 naar 216 personen).

De toename van het aantal modules begeleid wonen, heeft onder andere te maken met de instroom van nieuwkomers (erkende vluchtelingen) voor wie een nieuwe woonst moet gezocht worden.

Er is een daling in onder meer:

  • de modules rond gezinstherapie (-33%);
  • begeleiding rond opvoedingsonzekerheid (-34%);
  • begeleidingen Slachtoffer in Beeld (-42%).

De verschuivingen in de aangeboden typemodules hebben grotendeels te maken met de vragen die jongeren stellen en waarmee ze naar het CAW komen. Het is niet de hulpverlener die bepaalt welke hulp wordt aangeboden maar de vraag van de jongere.

Tabel: Aantal personen van 0 tot en met 25 jaar in begeleiding, per typemodule en aantal begeleidingen per typemodule
(teleenheid: aantal kinderen en jongeren 0-25 jaar en aantal begeleidingscasussen)
Typemodule CAW Aantal personen 0-25 % Aantal personen 0-25 Aantal begeleidingen % Aantal begelei-dingen
Cluster Begeleid Zelfstandig Wonen (subtotaal) 1.153 17,8% 988 17,7%
Begeleid zelfstandig wonen voor jongvolwassenen 344 5,3% 316 5,6%
Begeleid wonen 644 9,9% 528 9,4%
Preventieve woonbegeleiding 165 2,5% 144 2,6%
Cluster Begeleiding jongeren die seksueel grensoverschrijdend gedrag stellen (subtotaal) 132 2,0% 132 2,4%
Begeleiding seksueel grensoverschrijdend gedrag 66 1,0% 66 1,2%
Begeleiding seksuele delinquenten 29 0,4% 29 0,5%
Begeleiding LDSG 37 0,6% 37 0,7%
Cluster Begeleiding minderjarig slachtoffer (subtotaal) 435 6,7% 385 6,9%
Individuele begeleiding slachtofferschap 290 4,5% 274 4,9%
Begeleiding intrafamiliaal geweld 145 2,2% 111 2,0%
Cluster Begeleiding ouder-kind contact tijdens detentie (subtotaal) 7 0,1% 5 0,1%
Begeleiding ouder-kind contact in detentie 7 0,1% 5 0,1%
Cluster Begeleiding van en toezicht op contact tussen kinderen en een gescheiden ouder (subtotaal) 545 8,4% 351 6,3%
Bezoekruimte gerechtelijke context 498 7,7% 316 5,6%
Bezoekruimte vrijwillige context 47 0,7% 35 0,6%
Cluster Begeleiding voor jongeren (subtotaal) 2.392 36,9% 2.235 39,9%
Begeleiding psychische en persoonlijke problemen 947 14,6% 889 15,9%
Integrale individuele begeleiding 464 7,2% 436 7,8%
Begeleiding basisrechten 201 3,1% 196 3,5%
Groepsbegeleiding 331 5,1% 284 5,1%
Psychotherapie 67 1,0% 67 1,2%
Begeleiding DIZ 141 2,2% 140 2,5%
Begeleiding SIB 37 0,6% 37 0,7%
Begeleiding GPP - individueel 62 1,0% 62 1,1%
Begeleiding GPP - groep 34 0,5% 16 0,3%
Integrale begeleiding naastbestaanden van gedetineerden 4 0,1% 4 0,1%
Integrale begeleiding gedetineerden in detentiecontext 104 1,6% 104 1,9%
Cluster Begeleiding voor ouders (subtotaal) 111 1,7% 97 1,7%
Begeleiding partnerrelatie 57 0,9% 49 0,9%
Begeleiding opvoedingsonzekerheid 27 0,4% 24 0,4%
Begeleiding scheidingsproces 18 0,3% 16 0,3%
Begeleiding seksuele problemen en geboorteregeling 8 0,1% 7 0,1%
Relatietherapie 1 0,0% 1 0,0%
Cluster Bemiddeling in conflicten tussen jongeren en hun ouders (subtotaal) 66 1,0% 63 1,1%
Bemiddeling conflicten tussen jongeren en hun ouders 66 1,0% 63 1,1%
Cluster Crisisverblijf (op verwijzing crisismeldpunt) (subtotaal) 216 3,3% 185 3,3%
Crisisbegeleiding - residentieel 216 3,3% 185 3,3%
Cluster Integrale gezinsbegeleiding (subtotaal) 132 2,0% 87 1,6%
Gezinstherapie 16 0,2% 13 0,2%
Integrale gezinsbegeleiding 70 1,1% 37 0,7%
Gezinsbegeleiding 46 0,7% 37 0,7%
Cluster Ouderschapsbemiddeling (subtotaal) 44 0,7% 37 0,7%
Ouderschapsbemiddeling 34 0,5% 28 0,5%
Scheidingsbemiddeling 10 0,2% 9 0,2%
Cluster Verblijf voor jongeren (subtotaal) 1.253 19,3% 1.030 18,4%
Integrale residentiële begeleiding thuisloosheid 378 5,8% 332 5,9%
Opvang van kinderen van ouders in een opvangsituatie 294 4,5% 179 3,2%
Integrale residentiële begeleiding van jongvolwassenen 258 4,0% 248 4,4%
Integrale begeleiding in het kader van studio-opvang 205 3,2% 181 3,2%
Integrale residentiële begel. slachtoffers partnergeweld 118 1,8% 90 1,6%
Algemeen totaal 6.486 100,0% 5.595 100,0%
Cliënten 0-25 NIET gelinkt aan typemodule 1.571      
(Bron: CAW – We-Dossier 2016)

Sommige typemodules zijn vanuit hun aard meer gericht op jongvolwassenen, andere meer op minderjarigen. Bijvoorbeeld de typemodule begeleid zelfstandig wonen voor jongeren:

  • 90% van de jongeren is tussen 18 en 25 jaar oud;
  • 5 kinderen zijn jonger dan 11 jaar;
  • 30 jongeren zijn tussen 12 en 18 jaar. Zij krijgen samen met hun ouders de typemodule begeleid zelfstandig wonen toegekend omdat zij samen worden begeleid in het kader van woonvaardigheden. Voor jongeren van 16 en 17 jaar kan al een begeleiding opgestart worden die moet leiden naar zelfstandig wonen. Veelal zijn dit jongeren die een voorziening verlaten. Zo wordt geanticipeerd op de continuïteit van de hulpverlening.

Het aantal personen in begeleid zelfstandig wonen is licht gedaald t.o.v. 2015 (-5%).

Tabel: Aantal personen in begeleid zelfstandig wonen voor jongvolwassenen
(teleenheid: kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 0 1 0 2 1 4 1,2%
0-11 (niet verder in detail bekend) 0 0 0 1 0 1 0,3%
12-17 jaar 4 0 3 16 7 30 8,7%
18-21 jaar 27 9 41 51 30 158 45,9%
22-25 jaar 10 8 43 43 28 132 38,4%
18-25 (niet verder in detail bekend) 1 3 4 3 8 19 5,5%
Totaal 42 21 91 116 74 344 100,0%
(Bron: CAW – We-Dossier 2016)

In het kader van slachtofferschap is er individuele begeleiding voor jongeren die slachtoffer of dader zijn van geweld en misbruik, of die betrokken zijn bij verkeersongevallen en misdrijven. In 2016 gaat het over 290 kinderen en jongeren.

De CAW helpen bij het verwerken van een schokkende gebeurtenis, en dat zowel bij nabestaanden, slachtoffers als getuigen. De begeleidingen bestaan o.a. uit:

  • het normaliseren en duiden van de reacties op de uitzonderlijke gebeurtenissen;
  • het geven van handvatten om met deze reacties om te gaan.
Tabel: Aantal individuele begeleidingen in het kader van slachtofferschap
(teleenheid: kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0 - 5 jaar 2 0 2 1 1 6 2,1%
6 - 11 jaar 13 2 13 6 18 52 17,9%
0 - 11 (niet verder in detail bekend) 0 0 1 2 1 4 1,4%
12 - 17 jaar 22 10 26 14 27 99 34,1%
18 - 21 12 6 12 9 8 47 16,2%
22 - 25 8 9 12 24 15 68 23,4%
18 - 25 (niet verder in detail bekend) 3 2 2 4 3 14 4,8%
Totaal 60 29 68 60 73 290 100,0%
(Bron: CAW – We-Dossier 2016)

In de bezoekruimte kunnen ouders en kinderen terecht om het contact te herstellen binnen een veilig kader, vaak via een vonnis door de rechter. Niet alleen worden de contacten tussen kinderen en ouders zo bevorderd; de bezoekruimte streeft ook naar een gepast herstel van betekenisvolle relaties tussen ouders en kind. Het welbevinden van het kind staat centraal.

Komt de integriteit van het kind of één van de ouders in het gedrang, dan wordt daar gepast mee omgegaan, bv. door het aanbod stop te zetten of op te schorten. In 2016 krijgen 540 kinderen en jongeren zo de kans om het contact met één van de ouders - en eventueel grootouders - te herstellen.

Het merendeel van de begeleidingen bezoekruimte situeert zich in de gerechtelijke context, een aantal dat bovendien stijgt (+12% in vergelijking met 2015). Het aantal begeleidingen bezoekruimte in een vrijwillige context neemt af en vertegenwoordigt nog geen 10% van het totaal.

Tabel: Aantal jongeren begeleid in de bezoekruimte: vrijwillig en gerechtelijk
(teleenheid: kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0 - 5 jaar 44 16 24 11 20 115 21,30%
6 - 11 jaar 28 37 48 24 22 159 29,44%
0 - 11 (niet verder in detail bekend) 19 3 3 0 5 30 5,56%
12 - 17 jaar 28 24 45 18 35 150 27,78%
18 - 21 2 3 0 1 2 8 1,48%
22 - 25 14 17 12 11 11 65 12,04%
18 - 25 (niet verder in detail bekend) 4 0 4 2 3 13 2,41%
Totaal 139 100 136 67 98 540 100,00%
(Bron: CAW – We-Dossier 2016)

De integrale gezinsbegeleiding begeleidt niet alleen de jongere maar ook (één van) de ouders, en eventueel broers en zussen. Veelal start deze begeleiding vanuit de noden en behoefte van de ouders en worden de kinderen met hun instemming daarbij betrokken.

Tabel: Aantal jongeren begeleid binnen een integrale gezinscontext
(teleenheid: kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0 - 5 jaar 0 0 0 15 8 23 19,83%
6 - 11 jaar 0 0 2 11 3 16 13,79%
0 - 11 (niet verder in detail bekend) 0 0 0 7 3 10 8,62%
12 - 17 jaar 1 1 4 15 9 30 25,86%
18 - 21 0 1 1 2 5 9 7,76%
22 - 25 1 4 2 7 10 24 20,69%
18 - 25 (niet verder in detail bekend) 0 0 0 0 4 4 3,45%
Totaal 2 6 9 57 42 116 100,00%
(Bron: CAW – We-Dossier 2016)

Van de 7.575 jongeren die het CAW begeleidt in 2016, zijn er 1.275 van wie men weet dat ze doorverwezen zijn. Een groot deel (11%) wordt doorverwezen naar de geestelijke gezondheidszorg (CGG, psycholoog en psychiater) en naar de sociale dienst van het OCMW (20%). Veelal biedt de geestelijke gezondheidszorg een gepastere vorm van begeleiding wanneer het over een psychische of psychiatrische problematiek gaat. Een doorverwijzing naar het OCMW heeft dan weer veelal te maken met financiële en materiële problemen. Dit betekent niet dat de jongere geen verdere begeleiding meer kan krijgen binnen het CAW.

De doorverwijzing naar een CAW (n= 92) betreft verwijzingen naar een ander CAW, bv. wanneer:

  • iemand aangemeld wordt bij een CAW maar in het werkingsgebied van een ander CAW woont;
  • het voor de jongere gemakkelijker is om bij een ander CAW te geraken (bv. dichterbij huis/werk of gemakkelijker openbaar vervoer);
  • de jongere verhuisd is;
  • het beter aansluit bij de hulpverlening van andere diensten of de hulp sneller kan opstarten.
Tabel: Aantal jongeren doorverwezen naar
(teleenheid: kinderen en jongeren / doorverwezen naar)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
CAW 27 9 14 29 12 92 7,22%
CGG 18 20 12 23 22 95 7,45%
CLB 6 0 2 3 2 13 1,02%
JWZ 14 7 6 9 6 42 3,29%
K&G 9 8 4 4 6 31 2,43%
VAPH 11 4 5 5 7 32 2,51%
OCJ 10 4 0 1 0 15 1,18%
VK 0 0 0 1 0 1 0,08%
SDJ 3 1 0 0 1 5 0,39%
Politie 0 0 1 10 1 12 0,94%
Parket 0 0 0 1 0 1 0,08%
School 2 0 7 13 5 27 2,12%
Gezondheidszorg 7 1 19 10 8 45 3,53%
Psycholoog/psychiater 9 6 12 9 5 41 3,22%
Huisarts 5 1 5 3 5 19 1,49%
OCMW 55 67 35 50 52 259 20,31%
Niet-professioneel 4 7 16 2 6 35 2,75%
Justitie 39 12 12 21 9 93 7,29%
Andere 79 59 84 120 76 417 32,71%
Totaal 298 206 234 314 223 1.275 100,00%
(Bron: CAW – We-Dossier 2016)

Kind en Gezin

Functie: Begeleiding RTJ

Een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG) is een voorziening die hulp biedt aan gezinnen, in al hun diversiteit, met kinderen van 0 tot en met 12 jaar of in het basisonderwijs. Het biedt een tijdelijk hulpaanbod bij opvoedingsproblemen als de situatie nog omkeerbaar is, zodat ouders de opvoeding verder op eigen kracht kunnen aanpakken.

CKG worden erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Momenteel zijn er 18 in Vlaanderen.

De kernopdracht van een CKG bestaat uit:

  • mobiele begeleiding;
  • ambulante trainingen en dagopvang;
  • crisisopvang;
  • korte residentiële opvang.

De hulpverlening is rechtstreeks toegankelijk en vertrekt vanuit de bereidheid van de ouders om hieraan mee te werken.

Daarnaast kan een CKG ook langdurig residentiële opvang aanbieden. Deze vorm van hulpverlening is niet-rechtstreeks toegankelijk en gericht op gezinnen met meervoudige problemen.

De tabel hieronder vermeldt de cijfers van de mobiele begeleiding. Deze is rechtstreeks toegankelijk, vertrekt vanuit de bereidheid van ouders om mee te werken, bestaat voornamelijk uit begeleiding aan huis en gefocust op de ouder-kind interactie in een opvoedingscontext. Daarnaast kan het ook worden gekoppeld aan een residentieel verblijf.

Het mobiele begeleidingsaanbod bestaat uit vijf typemodules, die variëren in begeleidingsduur en frequentie van contacten:

  • kort licht mobiele gezinsbegeleiding: van 1 week tot 3 maand; gemiddeld 1 contact per week; van 1u tot 3u per contact;
  • lang licht mobiele gezinsbegeleiding: van 3 maand tot 1 jaar; gemiddeld 1 contact per week; van 1u tot 3u per contact;
  • zeer kort intensieve mobiele gezinsbegeleiding: maximaal 28 dagen; van 3 tot 5 contacten per week; van 1u tot 5u per contact;
  • kort intensieve mobiele gezinsbegeleiding: van 1 week tot 3 maand; gemiddeld 3 contacten per week; van 1u tot 3u per contact;
  • middellang intensieve mobiele gezinsbegeleiding: van 3 maand tot 6 maand; gemiddeld 3 contacten per week; van 1u tot 3u per contact.

Onder deze typemodules worden ook specifieke modules en methodieken ingezet:

  • in een beperkt aandeel van het kort lichte aanbod is Triple P level 5 ingezet (1%);
  • de zeer kort intensieve typemodule bestaat grotendeels uit crisisaanbod via het crisisnetwerk integrale jeugdhulp (70%);
  • de middellang intensieve typemodule is bijna uitsluitend volgens de methodiek Amberbegeleidingen aangeboden (97%). Dat is een specifieke vorm van gezinsbegeleiding voor kwetsbare gezinnen met zeer jonge baby’s.

Daarnaast kunnen CKG op eigen vraag formeel goedgekeurde weesmodules aanbieden onder de functie (mobiele) begeleiding. Een weesmodule is een typemodule, maar geen van bovenstaande. Het is een experimenteel of innovatief aanbod waarin een CKG een bepaalde nood aan hulp op een bepaald ogenblik in een bepaalde regio aantoont. In 2016 worden twee weesmodules ingezet door twee CKG:

  • aanbod voor gedetineerde vaders;
  • aanbod opvoedingsondersteuning gelinkt aan kinderopvang.

In 2016 staan de CKG in voor de mobiele begeleiding van 3.005 gezinnen met één of meerdere kinderen. De registratie gebeurt steeds bij één kind van het gezin in begeleiding:

  • meer dan zes op tien van deze kinderen is jonger dan zes jaar (61,3%);
  • 36,9% is tussen zes en elf jaar oud;
  • een minderheid is twaalf jaar, of in het basisonderwijs (1,8%).

CKG richten zich dus duidelijk op gezinnen met jonge kinderen.

In vergelijking met 2015 (2.975 gezinnen met mobiele begeleiding) zijn in 2016 ietwat meer gezinnen bereikt (+1%).

Tabel: Leeftijd unieke minderjarigen in mobiele begeleiding
(teleenheid: unieke minderjarigen)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 533 237 332 340 400 1.842 61,3%
6-11 jaar 337 150 205 236 180 1.108 36,9%
12-17 jaar(*) 18 5 5 9 16 53 1,8%
Lftd onbekend (**) 1 1       2 0,1%
Totaal 889 393 542 585 596 3.005  
% 29,6% 13,1% 18,0% 19,5% 19,8%    
(Bron: registratiesysteem CKG’s)

Het gros van de mobiele begeleidingen bestaat uit lang lichte (1.935 gezinnen) en kort lichte (1.187 gezinnen) gezinsbegeleidingen. In mindere mate zijn ook kort intensieve (102 gezinnen), middellang intensieve (90 gezinnen) en zeer kort intensieve (27 gezinnen) mobiele begeleidingen ingezet. Ten slotte bereiken de weesmodules 108 gezinnen.

 Tabel: Aantal unieke gezinnen per typemodule in mobiele begeleiding
(teleenheid: unieke gezinnen)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West-Vlaanderen Totaal %
Kort licht mobiel 293 160 191 302 241 1.187 39,5%
Lang licht mobiel 634 244 359 378 320 1.935 64,4%
Zeer kort intensief mobiel 0 0 7 11 9 27 0,9%
Kort intensief mobiel 68 2 7 4 21 102 3,4%
Middellang intensief mobiel 0 28 31 29 2 90 3,0%
Weesmodule  27 0 0 0 81 108 3,6%
Totaal begeleiding 889 393 542 585 596 3.005  
% 29,6% 13,1% 18,0% 19,5% 19,8%    
(Bron: registratiesysteem CKG’s)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

De gemiddelde begeleidingsduur van de afgeronde mobiele gezinsbegeleidingen in 2016 bedraagt 137 dagen – net zoals in 2015. Deze varieert per typemodule van gemiddeld 18 dagen (3 weken, zeer kort intensief mobiel) tot gemiddeld 219 dagen (7 maanden, lang licht mobiel).

Tabel: Gemiddelde begeleidingsduur per afgeronde typemodule
(teleenheid: dagen)
  Sector
Kort licht mobiel 61
Lang licht mobiel 219
Zeer kort intensief mobiel 18
Kort intensief mobiel 60
Middellang intensief mobiel 107
Totaal begeleiding 137
(Bron: registratiesysteem CKG’s)

Functie: Training RTJ

Een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG) is een voorziening die hulp biedt aan gezinnen, in al hun diversiteit, met kinderen van 0 tot en met 12 jaar of in het basisonderwijs. Het biedt een tijdelijk hulpaanbod bij opvoedingsproblemen in situaties die nog omkeerbaar zijn, zodat ouders de opvoeding verder op eigen kracht kunnen aanpakken.

De CKG worden erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Momenteel zijn er 18 in Vlaanderen.

CKG kunnen binnen deze functie vier typemodules ambulante pedagogische training inzetten, in lijn met hun kernopdracht (zie functie begeleiding, CKG). Het aanbod is rechtstreeks toegankelijk, vertrekt vanuit de bereidheid van ouders om mee te werken, wordt in groep aangeboden en heeft als voornaamste focus het aanleren van vaardigheden op het vlak van ouder-kind interactie en/of sociale vaardigheden bij het kind. Het kan ook worden gekoppeld aan een residentieel verblijf.

De vier typemodules ambulante pedagogische training variëren inzake deelnemers (aantal per groep; kinderen en/of ouders), begeleidingsduur, frequentie van contacten en intensiteit:

  • ambulante pedagogische training in groepsverband van ouders en kinderen samen: van 1 tot 6 maand; gemiddeld 1 tot 3 trainingscontacten per week; van 2u tot 6u per contact, minimum 8 gezinnen per training;
  • ambulante pedagogische training in groepsverband van ouders en van kinderen apart: van 1 tot 6 maand; gemiddeld 1 tot 3 trainingscontacten per week; van 1u tot 6u per contact, minimum 10 kinderen per training;
  • ambulante pedagogische training van ouders in groepsverband (zonder kinderen): van 1 week tot 3 maand; gemiddeld 1 tot 3 trainingscontacten per week; van 1u tot 3u per contact, minimum 6 gezinnen per training;
  • ambulante pedagogische training of begeleiding van ouders individueel: van 1 week tot 3 maand; gemiddeld 1 tot 3 trainingscontacten per week; van 1u tot 3u per contact, ingebed in het leefgroep-gebeuren van het CKG.

De typemodules training vallen grotendeels samen met een viertal specifieke modules of methodieken. In 2016 gaat het over:

  • de Tuimelmodule: bij 80% in de training in groepsverband van ouders en kinderen samen;
  • de module Stop 4-7: bij 100% in de training in groepsverband van ouders en kinderen apart;
  • de module Triple P Level 4: bij 88% in de training van ouders in groepsverband;
  • de module Triple P Level 4: bij 66% in de training van ouders individueel.

Daarnaast kunnen CKG op eigen vraag formeel goedgekeurde weesmodules aanbieden onder de functie training. Een weesmodule is een typemodule, maar geen van bovenstaande. Het betreft een experimenteel of innovatief aanbod waarin een CKG een bepaalde nood aan hulp op een bepaald ogenblik in een bepaalde regio aantoont. In 2016 gaat het over vier weesmodules door vier CKG (o.a. spelcounseling).

De cijfers in het jaarverslag zijn aangeleverd door de CKG zelf, die de data in hun registratiesysteem in eigen beheer hebben. De registratie gebeurt steeds bij één kind van het gezin in begeleiding.

Met de ambulante pedagogische trainingen helpen de CKG in 2016 1.521 gezinnen. De CKG richten zich met het trainingsaanbod vooral op gezinnen met kinderen tussen nul en vijf jaar (963 kinderen, 63,3%) en met kinderen van zes tot elf jaar (533 kinderen, 35%). Kinderen in het basisonderwijs (+ 12 jaar) vormen een minderheid (n=21).

In vergelijking met 2015 (1.548 gezinnen met ambulante training) worden in 2016 ietwat minder gezinnen bereikt (-1,7%).

Tabel: Leeftijd unieke minderjarigen in pedagogisch trainingsaanbod, per leeftijdscategorie
(teleenheid: unieke minderjarigen)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 284 222 205 102 150 963 63,3%
6-11 jaar 174 109 94 96 60 533 35,0%
12-17 jaar 8 2 6 2 3 21 1,4%
Lftd onbekend 2 0 2 0 0 4 0,3%
Totaal 468 333 307 200 213 1.521  
% 30,8% 21,9% 20,2% 13,1% 14,0%    
(Bron: registratiesysteem CKG’s)

De meest gebruikte ambulante pedagogische training is de groepstraining van ouders (vnl. Triple P Level 4 groep), met 538 gezinnen en kinderen. Al bereiken ook de overige typemodules heel wat kinderen en jongeren:

  • 407 kinderen en gezinnen in de groepstraining van ouders en kind apart (vnl. Stop 4-7, trainingsprogramma voor jonge kinderen met gedragsproblemen);
  • 298 kinderen en gezinnen in de groepstraining van ouders en kind samen (vnl. Tuimel, trainingsprogramma voor kwetsbare gezinnen met jonge kinderen met vragen rond het opvoedingsgebeuren);
  • 225 kinderen en gezinnen in de training van ouders individueel (vnl. Triple P Level 4 individueel).

Tenslotte zijn 76 kinderen en gezinnen geholpen met een weesmodule die valt onder ambulante pedagogische training.

Tabel: Aantal unieke gezinnen per typemodule pedagogische training
(teleenheid: unieke gezinnen)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West-Vlaanderen Totaal %
Groepstraining ouders en kind samen 113 77 19 0 89 298 19,59%
Groepstraining ouders en kind apart 97 78 67 57 108 407 26,76%
Groepstraining ouders 132 125 147 118 16 538 35,37%
Individuele training 89 58 51 27 0 225 14,79%
Weesmodule 43 0 25 8 0 76 5,00%
Totaal training  468 333 307 200 213 1.521  
% 30,77% 21,89% 20,18% 13,15% 14,00%    
(Bron: registratiesysteem CKG’s)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

De gemiddelde begeleidingsduur van alle afgeronde ambulante pedagogische trainingen in 2016 bedraagt 79 dagen. Deze varieert per typemodule van gemiddeld 52 dagen (groepstraining van ouders) tot gemiddeld 121 dagen (groepstraining van ouders en kinderen samen).

Tabel: Gemiddelde begeleidingsduur per afgeronde typemodule individuele training
(teleenheid: dagen)
Typemodule Sector
Groepstraining ouders en kind samen 121
Groepstraining ouders en kind apart 95
Groepstraining ouders 52
Individuele training 63
Totaal training  79
(Bron: registratiesysteem CKG’s)

Functie: Dagopvang RTJ

Een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG) is een voorziening die hulp biedt aan gezinnen, in al hun diversiteit, met kinderen van 0 tot en met 12 jaar of in het basisonderwijs. Het biedt een tijdelijk hulpaanbod bij opvoedingsproblemen als de situatie nog omkeerbaar is, zodat ouders de opvoeding verder op eigen kracht kunnen aanpakken.

CKG worden erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Momenteel zijn er 18 in Vlaanderen.

De CKG kunnen onder deze functie 1 typemodule ambulante dagopvang inzetten, in lijn met hun kernopdracht (zie functie begeleiding, CKG). Dit aanbod is rechtstreeks toegankelijk, vertrekt vanuit de bereidheid van ouders om mee te werken en heeft vooral tot doel opvang overdag te organiseren in het CKG ter ondersteuning van een mobiele begeleiding en ambulante training, met een eigen hulpverlenende finaliteit. De combinatie met een mobiele begeleiding of ambulante training is verplicht, tenzij het gaat om een crisissituatie waarbij ambulante dagopvang volstaat.

De typemodule ambulante dagopvang betekent:

  • begeleidingsduur van 1 week tot 3 maand;
  • 2 tot 5 opvangdagen per week;
  • 3u tot 8u opvang in het CKG per aanwezigheidsdag.

De cijfers in dit jaarverslag zijn aangeleverd door de CKG zelf, die de data in hun registratiesysteem in eigen beheer hebben.

In 2016 helpt de ambulante dagopvang van de CKG in totaal 422 kinderen; in ruim negen op de tien gevallen kinderen jonger dan zes jaar.

In vergelijking met 2015 (468 kinderen met ambulante opvang) worden in 2016 10% minder kinderen bereikt. Dit hangt grotendeels samen met een wat lagere capaciteit (zie verder).

Tabel: Aantal unieke minderjarigen in ambulante dagopvang, per leeftijdscategorie
(teleenheid: unieke kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 47 80 85 37 136 385 91,2%
6-11 jaar 0 18 9 0 9 36 8,5%
12-17 jaar 0 1 0 0 0 1 0,2%
Totaal 47 99 94 37 145 422  
% 11,1% 23,5% 22,3% 8,8% 34,4%    
(Bron: registratiesysteem CKG’s)

Gemiddeld verblijven de kinderen overdag 55 dagen ambulant in de CKG.

De CKG hebben in 2016 een capaciteit van 94 ambulante opvangplaatsen, 7 minder dan in 2015. Dit slaat op het aantal plaatsen dat door de CKG zelf bij het begin van het jaar wordt voorzien om in te zetten voor dit aanbod. Met 103% realiseren de CKG een overbezetting o.b.v. het aantal dagen dat een kind met ambulante opvang in begeleiding is.

Functie: Verblijf RTJ

Een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG) is een voorziening die hulp biedt aan gezinnen, in al hun diversiteit, met kinderen van 0 tot en met 12 jaar of in het basisonderwijs. Het biedt een tijdelijk hulpaanbod bij opvoedingsproblemen als de situatie nog omkeerbaar is, zodat ouders de opvoeding verder op eigen kracht kunnen aanpakken.

De CKG worden erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Momenteel zijn er 18 in Vlaanderen.

Onder de functie verblijf (rechtstreeks toegankelijk luik) kunnen de CKG 2 typemodules korte residentiële opvang inzetten, in lijn met hun kernopdracht (zie functie begeleiding, CKG): crisisopvang en zeer korte residentiële opvang. Dit verblijfsaanbod moet steeds worden gecombineerd met gepaste mobiele en/of ambulante gezinsbegeleiding, voor zover mogelijk en in het belang van het kind.

De typemodule crisisopvang:

  • is rechtstreeks toegankelijk;
  • vertrekt vanuit de bereidheid van ouders om mee te werken;
  • kan ook in het kader van het crisisnetwerk binnen integrale jeugdhulp worden ingezet. Dat aanbod wordt elders getoond.
  • kan dag en nacht, 7/7 dagen en maximaal gedurende zeven dagen (1 keer verlengbaar) worden ingezet.

De typemodule zeer korte residentiële opvang:

  • is rechtstreeks toegankelijk;
  • vertrekt vanuit de bereidheid van ouders om mee te werken;
  • is vooral gericht op een tijdelijke ontlasting van ouders, ter ondersteuning van de opvoeding thuis;
  • kan dag en nacht, 7/7 dagen en gedurende maximaal zes weken worden ingezet.

De cijfers in dit jaarverslag zijn aangeleverd door de CKG zelf, die de data in hun registratiesysteem in eigen beheer hebben.

In 2016 overnachten in totaal 641 kinderen in de korte residentiële opvang van de CKG. In 7 op 10 van de gevallen gaat het over kinderen jonger dan zes jaar (70,7%). In vergelijking met 2015 betekent dit een daling met 10%.

Tabel: Aantal unieke minderjarigen in korte residentiële opvang, per leeftijdscategorie
(teleenheid: unieke kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 105 71 115 28 134 453 70,7%
6-11 jaar 39 30 41 3 63 176 27,5%
12-17 jaar 3 4 0 1 4 12 1,9%
Totaal 147 105 156 32 201 641  
% 22,9% 16,4% 24,3% 5,0% 31,4%    
(Bron: registratiesysteem CKG’s)

In 2016 worden in de CKG 547 kinderen zeer kort opgevangen: de grootste groep binnen de rechtstreeks toegankelijke residentiële opvang. Met de crisisopvang die niet via het crisismeldpunt van integrale jeugdhulp wordt georganiseerd, zijn 113 kinderen geholpen.

Tabel: Aantal unieke minderjarigen per typemodule korte residentiële opvang
(teleenheid: unieke kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West-Vlaanderen Totaal %
Crisisopvang regulier 49 8 15 0 41 113 17,1%
Zeer korte opvang 98 97 141 32 179 547 82,9%
Totaal 147 105 156 32 201 641  
(Bron: registratiesysteem CKG’s)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

De gemiddelde begeleidingsduur in het rechtstreeks toegankelijk residentieel verblijfsaanbod bedraagt voor de zeer korte opvang 24 dagen en in de crisisopvang 8 dagen.

De CKG hebben in 2016 een capaciteit van 97 korte residentiële opvangplaatsen (zowel crisisopvang regulier als zeer korte opvang). Dit slaat op het aantal plaatsen dat bij het begin van het jaar is gepland om in te zetten voor dit aanbod. De CKG realiseren een bezetting 65% o.b.v. het aantal dagen dat een kind met korte residentiële opvang in begeleiding is.

Vertrouwenscentra kindermishandeling

De vertrouwenscentra kindermishandeling (VK) bieden casusgebonden ondersteuning aan professionelen inzake het omgaan met kindermishandeling.

Die ondersteuning bestaat uit een waaier aan mogelijkheden:

  • advies of consult, coaching, begeleiding;
  • al dan niet met rechtstreekse tussenkomst in het betrokken gezin(nen);
  • van een eenmalig contact tot een meer langdurig en intensief traject.

Dit aanbod is de reguliere werking van een VK. Alles hierbinnen start vanuit een melding, nl. elke casusgebonden contactname met het VK waaraan een bepaald gevolg wordt gegeven.

De cijfergegevens komen uit het VK e-dossier, het dossier- en registratiesysteem van de VK. Kind en Gezin beheert het rapporteringssysteem hiervan. Waar nodig zijn de cijfers aangevuld en/of vergeleken met cijfers uit het ‘Domino Voorportaal’, de webapplicatie die instaat voor het invullen en verzenden van het elektronische motivatiedocument (M-document) door jeugdhulpaanbieders.

Voor 2016 gelden de volgende basiscijfers:

  • totaal aantal meldingen: 7.080
  • totaal aantal betrokken unieke kinderen: 9.354
  • totaal aantal kindregistraties: 10.062

Bovenstaande cijfers omvatten ook de meldingen in het kader van een onderzoek maatschappelijke noodzaak. Voor meer toelichting en cijfers daarover, zie ‘gemandateerde voorzieningen’.

In 2016 is er een stijging t.o.v. 2015 bij:

  • het aantal meldingen (+1,3%, 2015: 6.922);
  • betrokken unieke kinderen (+5,3%, 2015: 8.885);
  • kindregistraties (+4,3%, 2015: 9.646).

Nieuw voor 2016 is de chatbox ‘nupraatikerover’, een initiatief van de VK. Deze chat richt zich tot minderjarigen met vragen rond seksueel misbruik en seksueel grensoverschrijdend gedrag. De chat is actief voor heel Vlaanderen, maar wordt bemand vanuit VK Brussel.

Het VK registreert elke melding aan de hand van een indeling volgens type melding: nl. advies, dossier en mano aanmelding (maatschappelijke noodzaak). Het gaat om een indicatieve kwalificatie door elk VK, niet gebonden aan strikte, inhoudelijke criteria. Het rapport biedt wel een algemeen inzicht in de onderlinge verhoudingen tussen de diverse types van meldingen:

  • ruim zes op 10 van de meldingen bij het VK leidt tot het geven van een advies;
  • 10% van de meldingen zijn meldingen tot onderzoek mano;
  • bij 27,1% van de meldingen is er sprake van een ‘dossier’, waarbij het VK vanuit haar reguliere werking een actieve rol opneemt in de hulpverlening, met tussenkomst in de betrokken gezinnen.
Tabel: Aantal aanmeldingen volgens type melding
(teleenheid: meldingen)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant Brussel West-Vlaanderen Totaal %
Advies 1.534 640 629 762 366 421 4.352 61,5%
Dossier 342 208 479 324 174 389 1.916 27,1%
Mano aanmelding 149 144 146 127 53 86 705 10,0%
Chat nupraatikerover         107   107 1,5%
Totaal 2.025 992 1.254 1.213 700 896 7.080  
(Bron: VK-e-dossier)

Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle aanmelders bij de VK in 2016. Dit toont een andere indeling dan het soort aanmelders bij de instroom als gemandateerde voorziening. Er is dus een grote diversiteit aan aanmelders:

  • een kwart van alle meldingen komt uit een (buiten)schoolse voorziening, vooral de CLB (19,9%).
  • welzijnsorganisaties en personen of diensten uit de gezondheidszorg zijn samen goed voor 37,9% van de meldingen.
  • de meldingen vanuit justitiële instanties staan voor 6,2% van de meldingen, waarbij het vooral gaat om een kennisgeving met het oog op het uitvoeren van een onderzoek maatschappelijke noodzaak (mano).
Tabel: wie meldt aan?
(teleenheid: meldingen)
  Aantal %
Schoolse en buitenschoolse voorziening 1.795 25,4%
    waaronder CLB 1.412 19,9%
Welzijnsorganisaties 1.176 16,6%
    waaronder dienst CAW 267 3,8%
    waaronder voorziening VAPH 223 3,1%
    waaronder preventieve zorg KG 196 2,8%
Hulplijn 1712 510 7,2%
Gezondheidszorg (incl. GGZ) 1.508 21,3%
    waaronder huisarts 238 3,4%
Voorzieningen Jongerenwelzijn (incl. OCJ en OSD) 542 7,7%
Justitiële instanties (politie, parket …) 442 6,2%
Voorschoolse voorziening (kinderopvang, onthaalouders …) 83 1,2%
Primaire omgeving van het kind (moeder, vader, oma, …) 966 13,6%
Persoon uit omgeving van de dader 14 0,2%
Onbekend 38 0,5%
Niet ingevuld 6 0,1%
Totaal 7.080 133,0%
(Bron: VK-e-dossier)

Vlaams agentschap voor personen met een handicap

Rechtstreeks toegankelijke hulp

Rechtstreeks toegankelijke hulp (RTH) biedt ondersteuning aan personen met een (vermoeden van) handicap. Dit hoeft niet langs de intersectorale toegangspoort.

RTH heeft een dubbel doel:

  • de laag intensieve of laagfrequente ondersteuning vlot toegankelijk maken voor de persoon met een handicap. Zo kan hij vlot worden geholpen zonder het doorlopen van de procedures om toegang te krijgen tot niet-rechtstreeks toegankelijke hulpverlening;
  • vermijden dat personen met een beperkte ondersteuningsvraag onnodig gebruik maken van te intensieve en duurdere vormen van ondersteuning die niet-rechtstreeks toegankelijk zijn.

Voor een heel aantal gebruikers kan een regelmatige en laagdrempelige ondersteuning van de minderjarige en zijn context of beperkt verblijf de noodzaak aan verdere, intensievere vormen van ondersteuning verminderen. 

In 2015 kon iedere persoon met een (vermoeden van) handicap maximaal 12 dagen verblijf per jaar (nachtopvang), 24 dagen dagopvang en 12 psychosociale begeleidingen krijgen vanuit het VAPH. Tijdens de eerste twee jaar samen mochten er 48 begeleidingen worden verstrekt.

Na evaluatie is deze regeling, met ingang vanaf 1 januari 2016, aangepast. Het systeem is versoepeld en er is meer flexibiliteit. Iedere persoon met een (vermoeden van) handicap  kan nu op jaarbasis een totaal van maximaal 8 punten gebruiken. De vier functies blijven mogelijk:

  • ambulante begeleiding;
  • mobiele begeleiding;
  • dagopvang;
  • verblijf,

en hebben elk hun eigen gewicht. Zo ligt het gewicht van verblijf bijvoorbeeld op 0,130. De persoon mag combinaties en frequenties toepassen voor RTH die gewenst zijn, zolang hij niet over het totaal van 8 punten gaat.

Met dit systeem kan men nu gebruik maken van bv. 36 mobiele begeleidingen, 91 dagen dagopvang of 61 nachten verblijf.

Het jaar erna kan de minderjarige opnieuw maximaal 8 punten gebruiken.

In principe kan elke erkende voorziening ervoor kiezen om RTH aan te bieden. Deze functies kunnen ook gecombineerd worden. Personen die gebruik maken van verblijf kunnen dus ook gebruik maken van dagopvang.

In vergelijking met 2015 (2.898 unieke kinderen en jongeren) is er een stijging met ongeveer 17%. De groep 18 – 25 jarigen is het sterkst vertegenwoordigd (48%).

De ondersteuning bij minderjarigen is eerder beperkt. De grootste groep hier zijn de kinderen van de lagere schoolleeftijd. Een mogelijke verklaring is de aanwezigheid van een aantal regionale projecten met kinderen die in het buitengewoon onderwijs zitten, maar geen gebruik maken van niet-rechtstreeks toegankelijke ondersteuning. Vroeger was dit vaak wel het geval: bv. de combinatie van naar school gaan en gebruik maken van een (semi-)internaat op dezelfde campus. Deze kinderen hebben voldoende aan beperkte ondersteuning via bv. begeleiding van het netwerk en de school.

In Antwerpen valt het hoge aantal gebruikers van rechtstreeks toegankelijke ondersteuning op voor de jongste kinderen (0-5 jaar) (9%).

Opvallend in vergelijking met vorig  jaar is de stijging in de provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen van het aantal kinderen tussen de 0-5 jaar.

Tabel: Aantal unieke kinderen en jongeren RTH
(teleenheid: unieke kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams -Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 244 16 66 9 58 393 11,6%
6-11 jaar 337 69 169 61 143 779 23,0%
12-17 jaar 234 66 92 82 104 578 17,1%
18-21 jaar 245 85 130 110 112 682 20,2%
22-25 jaar 375 110 154 134 178 951 28,1%
Totaal 1.435 346 611 396 595 3.383 100,0%
% 42,4% 10,2% 18,1% 11,7% 17,6% 100,0%  
(Bron: Cliëntregistratie)

Een zeer beperkt aantal gebruikers van RTH maakt daadwerkelijk gebruik van de functie verblijf (+- 8 %). Deze tendens is ook te zien bij de volwassenen.

Tabel: Aantal kinderen en jongeren RTH, functie verblijf
(teleenheid: minderjarigen die minstens 1x gebruik maken van functie verblijf in RTH)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams -Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 7 0 7 1 3 18 6,8%
6-11 jaar 17 4 20 6 16 63 24,0%
12-17 jaar 19 5 11 4 28 67 25,5%
18-21 jaar 24 9 8 3 11 55 20,9%
22-25 jaar 22 14 2 4 18 60 22,8%
Totaal 89 32 48 18 76 263 100,0%
% 33,8% 12,2% 18,3% 6,8% 28,9% 100,0%  
(Bron: Cliëntregistratie)

Ongeveer 37% van de minderjarigen maakt gebruik van de functie dagopvang, dat is vergelijkbaar met 2015. Het overgrote deel maakt gebruik van:

  • mobiele begeleiding (64%): daarbij gaat de hulpverlener voor de aangeboden ondersteuning naar het kind of de jongere en zijn netwerk;
  • ambulante begeleiding (29%): daarbij verplaatst de minderjarige en/of zijn netwerk zich voor de ondersteuning naar de hulpverlener.

Deze hulp is heel laagdrempelig en biedt voor een heel aantal gezinnen voldoende antwoord op de ondersteuningsvraag.

Tabel: Aantal kinderen en jongeren RTH, functie dagopvang
(teleenheid: minderjarigen die minstens 1x gebruik maken van functie dagopvang in RTH)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams -Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 55 8 24 6 26 119 9,6%
6-11 jaar 118 29 66 45 74 332 26,8%
12-17 jaar 102 23 39 43 60 267 21,6%
18-21 jaar 82 41 24 26 49 222 17,9%
22-25 jaar 119 55 29 30 64 297 24,0%
Totaal 476 156 182 150 273 1.237 100,0%
% 38,5% 12,6% 14,7% 12,1% 22,1% 100,0%  
(Bron: Cliëntregistratie)
Tabel: Aantal kinderen en jongeren RTH, functie ambulante begeleiding
(teleenheid: minderjarigen die minstens 1x gebruik maken van functie ambulante begeleiding in RTH)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams -Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 73 3 9 1 16 102 10,5%
6-11 jaar 117 20 37 22 29 225 23,1%
12-17 jaar 62 22 29 29 24 166 17,1%
18-21 jaar 55 26 36 34 31 182 18,7%
22-25 jaar 121 33 41 51 52 298 30,6%
Totaal 428 104 152 137 152 973 100,0%
% 44,0% 10,7% 15,6% 14,1% 15,6% 100,0%  
(Bron: Cliëntregistratie)
Tabel: Aantal kinderen en jongeren RTH, functie mobiele begeleiding
(teleenheid: minderjarigen die minstens 1x gebruik maken van functie mobiele begeleiding in RTH)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams -Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 173 7 38 2 34 254 11,7%
6-11 jaar 171 38 110 14 69 402 18,6%
12-17 jaar 136 41 48 22 44 291 13,5%
18-21 jaar 178 42 104 77 73 474 21,9%
22-25 jaar 301 65 134 101 141 742 34,3%
Totaal 959 193 434 216 361 2.163 100,0%
% 44,3% 8,9% 20,1% 10,0% 16,7% 100,0%  
(Bron: Cliëntregistratie)

Thuisbegeleiding

Thuisbegeleidingsdiensten bieden mobiele en ambulante begeleiding aan minderjarigen en hun gezin. Deze ondersteuning vindt vooral thuis plaats maar ook in het ruime netwerk (school, buurt …).  De begeleiding door thuisbegeleidingsdiensten kan zowel rechtstreeks toegankelijk zijn als niet-rechtstreeks toegankelijk (hoogfrequente, intensieve begeleiding vanuit de thuisbegeleidingsdiensten).

Tabel: Aantal thuisbegeleidingsdiensten per provincie
  Aantal
Antwerpen 6
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 1
Limburg 4
Oost-Vlaanderen 5
Vlaams-Brabant 4
West- Vlaanderen 6
Totaal 26
(Bron: Cliëntregistratie)

De cijfers hieronder geven het deel thuisbegeleiding weer dat valt onder rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp (RTJ). Ze tonen wie in de loop van 2016 minstens één keer een rechtstreeks toegankelijke begeleiding heeft bij een thuisbegeleidingsdienst.

Wat betreft het totale aantal gebruikers van de thuisbegeleidingsdiensten (NRTJ en RTJ samen) in 2016, maakt bijna 76% gebruik van het rechtstreeks toegankelijk aanbod (voor de cijfers van het NRTJ-gedeelte: zie verder). Dit is een aanzienlijke stijging in vergelijking met 2015 (bijna 60%). Meer en meer thuisbegeleidingsdiensten maken in 2016 de keuze om hun capaciteit vooral rechtstreeks toegankelijk in te zetten. Door het feit dat er tot 36 begeleidingen op jaarbasis kunnen aangeboden worden zonder een toegangspoort te passeren, is  de capaciteit voor niet-rechtstreeks toegankelijke  ingezet voor zeer intensieve trajecten en gecombineerde trajecten (bv. samen met een MFC).

Ook opvallend is de grootte van de jongste leeftijdsgroep. De laatste jaren wordt meer en meer geïnvesteerd in ‘vroegbegeleiding’. Dat heeft een positief effect voor de verhouding tussen draagkracht en draaglast binnen het gezin en kan een preventief werken naar het ontstaan van secundaire problematieken (bv. gedragsproblemen). Daarnaast is er binnen deze leeftijdsgroep nog niet altijd een formele diagnose gesteld (vaak gaat het om het vermoeden van een handicap). Mede daarom is in deze groep het aantal gebruikers zo hoog.

Tabel: Aantal unieke gebruikers rechtstreeks toegankelijke thuisbegeleiding
(teleenheid: unieke kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams -Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %*
0-5 jaar 577 492 731 469 532 2.801 31,7%
6-11 jaar 949 378 444 334 456 2.561 29,0%
12-17 jaar 827 324 309 148 398 2.151 24,3%
18-21 jaar 305 146 122 58 186 872 9,9%
22-25 jaar 127 82 76 32 106 451 5,1%
Totaal 2.785 1.422 1.682 1.041 1.678 8.836 100,0%
%* 31,5% 16,1% 19,0% 11,8% 19,0% 97,4%  
(Bron: Cliëntregistratie)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

Dienst Ondersteuningsplan

Een persoon met een (vermoeden van) handicap kan een beroep doen op een Dienst Ondersteuningsplan (DOP) om inzicht te krijgen in de meest aangewezen soort(en) ondersteuning, al dan niet gefinancierd door het VAPH. De DOP brengt - samen met de persoon met een handicap en zijn netwerk - de vragen, wensen, ondersteuningsnoden en mogelijkheden in kaart.  Het resultaat van dit proces is een ondersteuningsplan. Per provincie is er één dienst.

Het grootste deel van de gebruikers van een DOP is tussen 18 en 25 jaar (89%). Vaak wordt een DOP geconsulteerd op bepaalde sleutelmomenten in het leven, zoals de overgang naar volwassenheid. Veelal wordt dan pas werk gemaakt van een ondersteuningsplan omdat de vragen dan ook het meest prangend worden: het samen zoeken naar mogelijkheden binnen wonen, werken …

Ook om een Persoonsvolgend Budget (PVB) te verkrijgen (in eerste instantie bij de volwassenen), is het doorlopen van een proces van vraagverheldering en ondersteuningsplanning en de opmaak van een Ondersteuningsplan PVB (OP PVB) noodzakelijk. Een DOP is één van de organisaties die dit kan opnemen.

Tabel: Aantal unieke kinderen en jongeren DOP
(teleenheid: unieke kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams -Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %*
0-5 jaar 3 0 0 5 1 9 0,7%
6-11 jaar 7 1 8 13 2 31 2,5%
12-17 jaar 31 10 15 12 8 76 6,1%
18-21 jaar 219 88 150 116 93 666 53,4%
22-25 jaar 179 59 108 51 69 466 37,3%
Totaal 439 158 281 197 173 1.248 100,0%
%* 35,2% 12,7% 22,5% 15,8% 13,9% 100,0%  
(Bron: Cliëntregistratie)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

Centra voor ontwikkelingsstoornissen

De hoofdopdracht van een centrum voor ontwikkelingsstoornissen (COS) is een zo vroeg mogelijke detectie, diagnosestelling en oriëntering van kinderen met een (vermoeden van) ontwikkelingsstoornis.

Om zo snel mogelijk op de meest gepaste manier ondersteuning te bieden, voeren artsen, psychologen, kinesisten, maatschappelijk werkers en logopedisten een diepgaand, gespecialiseerd, multidisciplinair onderzoek uit. Dat heeft als doel de mogelijkheden en beperkingen van het kind in kaart te brengen en eventueel de juiste diagnose te stellen.

Het COS kan op basis van deze diagnose ook adviezen geven en het kind en de ouders oriënteren naar de meest geschikte ondersteuningsvorm.

Tabel: Aantal unieke kinderen COS
(teleenheid: unieke kinderen)
  COS Antwerpen COS Brussel COS Gent COS Leuven Totaal %
0-1 jaar 164 376 434 45 1.019 23,4%
2-3 jaar 345 221 372 449 1.387 31,9%
4-6 jaar 376 184 451 537 1.548 35,6%
vanaf 7 jaar 153 34 133 77 397 9,1%
Totaal 1.038 815 1.390 1.108 4.351 100,0%
% 23,9 18,7 31,9 25,5 100,0  
(Bron: jaarverslag COS)

 

Jongerenwelzijn

Rechtstreeks en niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp

Jongerenwelzijn organiseert op verschillende manieren een aanbod voor kinderen, jongeren en ouders met ernstige of langdurige problemen. Zo erkent en subsidieert het agentschap private voorzieningen binnen de bijzondere jeugdzorg. Deze organiseren hulpverlening - residentieel, ambulant of mobiel - voor kinderen en jongeren in verontrustende situaties (VOS) of die een als misdrijf omschreven feit (MOF) hebben gepleegd.

Het aanbod bevat ook pleegzorg, dat zowel voor minder- als meerderjarigen onder Jongerenwelzijn valt.

Het aanbod van de voorzieningen wordt georganiseerd aan de hand van modules:

  • organisaties voor bijzondere jeugdbijstand (OVBJ), diensten voor pleegzorg en centra voor integrale gezinszorg (CIG) bieden zowel rechtstreeks als niet-rechtstreeks toegankelijke modules aan;
  • diensten voor crisishulp aan huis (cah) hebben een aanbod dat enkel via het crisismeldpunt toegankelijk is;
  • onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra (OOOC) hebben enkel niet-rechtstreeks toegankelijke modules, maar voorzien ook een aanbod crisisbegeleiding en –opvang vanuit het crisismeldpunt.
  • diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling (HCA) hebben een gerechtelijk, niet-gemoduleerd aanbod voor jongeren die een MOF hebben gepleegd.

Het jaarverslag jeugdhulp geeft per soort voorziening telkens eerst een algemeen deel met informatie over het volledige aanbod: de capaciteit, de bezetting, het aantal dossiers ... Aangezien deze gegevens zowel het rechtstreeks als het niet-rechtstreeks toegankelijke aanbod omvatten, wordt dit algemene deel bij beide hoofdstukken (RTJ en NRTJ) herhaald.

Na het algemene deel worden specifieke gegevens getoond over de in 2016 afgesloten dossiers:

  • het deel over de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp geeft de afgesloten dossiers van de OVBJ, de diensten voor pleegzorg en de CIG weer die enkel rechtstreeks toegankelijke modules bevatten;
  • het deel over de niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp geeft de afgesloten dossiers van de OVBJ, de diensten voor pleegzorg, de CIG en de OOOC weer die, naast rechtstreeks toegankelijke, minstens één niet-rechtstreeks toegankelijke module bevat in de loop van het traject.
  • het crisisaanbod van de OOOC en de diensten crisishulp aan huis komen aan bod in het deel over de crisisjeugdhulp. Het crisisaanbod van de OVBJ en de CIG staat dan weer in het stuk over de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp.

Een dossier is een aaneensluitende periode van hulpverlening voor een kind of jongere in eenzelfde voorziening:

  • een minderjarige kan serieel meerdere dossiers hebben in eenzelfde voorziening, wanneer de hulpverlening onderbroken of gestopt is;
  • een minderjarige kan meerdere dossiers tegelijk hebben in verschillende voorzieningen, wanneer er een combinatie van hulpaanbod is over voorzieningen heen.

Sinds 1 januari 2015 registreren de door Jongerenwelzijn erkende en vergunde voorzieningen in het vernieuwde registratiesysteem Binc (Begeleiding in cijfers). De diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling registreren nog tot eind 2017 in hun eigen applicatie. Vanaf 1 januari 2018 registreren zij eveneens in de vernieuwde Binc. 

Organisatie voor bijzondere jeugdzorg

Algemeen

Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg (OVBJ) is erkend op basis van typemodules. Elke OVBJ heeft een erkenning voor contextbegeleiding. Daarnaast kan een OVBJ een erkenning hebben voor:

  • modules contextbegeleiding in functie van autonoom wonen;
  • modules dagbegeleiding in groep;
  • verblijfsmodules;
  • modules ondersteunende begeleiding.

Een OVBJ met een erkenning voor modules contextbegeleiding en modules contextbegeleiding in functie van autonoom wonen, kan – op basis van de reële noden van de jongeren– zelf de verhouding bepalen tussen het effectief aantal in te zetten modules contextbegeleiding en contextbegeleiding in functie van autonoom wonen.

  • Contextbegeleiding (CB) is de centrale module van elke OVBJ en elk begeleidingstraject. Het omvat de vroegere thuisbegeleiding, gezinsbegeleiding, netwerkbegeleiding… Dit zijn alle begeleidingscontacten met een kind of jongere en zijn netwerk, die gekoppeld zijn aan hulpverleningsdoelstellingen; inclusief contacten met school, CLB, de sociaal werker, de vertrouwenspersoon van de jongere, de trainer van de sportclub …
  • Contextbegeleiding in functie van autonoom wonen (CB i.f.v. AW) omvat de vroegere erkenningen voor begeleid zelfstandig wonen (bzw). Vroeger werd bzw ook georganiseerd vanuit een begeleidingstehuis. Nu is dat een afzonderlijke module, vertrekkend vanuit contextbegeleiding.
  • Dagbegeleiding in groep omvat het begeleidingsaanbod van de vroegere dagcentra, bestaat uit verschillende componenten (schoolbegeleiding, groepswerking, training) en loopt zowel in school- als vakantieperiodes. Ze focust op de grote meerwaarde van een laagdrempelige, contextgerichte begeleiding in groep. Dagbegeleiding is niet schoolvervangend, wel naschools en ondersteunend.
  • Verblijf omvat de begeleiding van een kind of jongere in een organisatie, inclusief overnachting. Hieraan wordt steeds een module contextbegeleiding gekoppeld. Door het dynamisch beheer van de residentiële capaciteit, kunnen voorzieningen crisisverblijf aanbieden voor jongeren (al dan niet uit de eigen organisatie). Er is een onderscheid tussen een module 1-3 nachten en een module 4-7 nachten, al dan niet in een 1bis voorziening. Daarnaast is ook kamertraining mogelijk.
  • Ondersteunende begeleiding omvat de pedagogische projecten, time out, ontheming … Deze kunnen ingezet worden los van of gekoppeld aan andere modules, altijd met het doel om breuken in een lopend hulpverleningstraject te vermijden. Een organisatie die deze module aanbiedt, moet per module minimaal 12 kinderen of jongeren gedurende gemiddeld 2 weken begeleiden. Men kan dus ook de ene minderjarige een kort traject van 2 dagen aanbieden en een andere een traject van 3 weken.

Daarnaast hebben verschillende OVBJ een engagement in de crisisnetwerken, onder de vorm van modules crisisopvang en/of crisisbegeleiding. Deze modules kunnen enkel ingezet worden op verwijzing van het crisismeldpunt.

De erkende capaciteit voor de OVBJ wordt uitgedrukt in modules. In 2016 kennen de OVBJ:

  • een uitbreiding met 60 modules contextbegeleiding laagintensief, gericht op het vermijden van uithuisplaatsing van het jonge kind;
  • een uitbreiding met 30 modules contextbegeleiding kortdurend intensief, gericht op het bevorderen van uitstroom uit de gemeenschapsinstellingen.

De andere, kleine verschillen met 2015 zijn te verklaren door kleine wijzigingen in de erkenning van individuele voorzieningen, door een ombouw van modules. In totaal hebben de OVBJ een begeleidingscapaciteit van 6.918 kinderen en jongeren, in vergelijking met 6.817 in 2015.

Verder is in 2016 tijdelijk extra capaciteit voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, met het oog op de vluchtelingencrisis. Deze capaciteit wordt apart weergegeven in de laatste kolom.

Tabel: Erkende capaciteit in modules OVBJ
(teleenheid: aantal erkende modules)
  31/12/2015 31/12/2016 tijdelijke capaciteit vluchtelingenwerking 
OVBJ CB i.f.v. positieve heroriëntering (RTJ) 439 445  
OVBJ CB laagintensief (RTJ) 3.994 4.053  
OVBJ CB breedsporig (RTJ) 1.297 1.299 18
OVBJ CB kortdurend intensief (NRTJ) 331 365  
OVBJ CB i.f.v. AW basisintensiteit (NRTJ) 282 276 7
OVBJ CB i.f.v. AW middenintensiteit (NRTJ) 474 480 33
OVBJ dagbegeleiding in groep (RTJ) 635 627  
OVBJ verblijf (NRTJ) 2.906 2.905 163
OVBJ ondersteunende begeleiding (RTJ) 85 85  
(Bron: Domino-BINC)

De bezettingsgraad geeft aan in welke mate de totale capaciteit - van een module - daadwerkelijk bezet wordt gedurende een bepaalde periode. Dit percentage wordt bepaald door de effectieve inzet te delen door de beschikbare capaciteit in die periode.

De gemiddelde bezetting van de OVBJ is berekend zonder de typemodules ondersteunende begeleiding en dagbegeleiding in groep:

  • voor ondersteunende begeleiding zoekt de sector nog naar de juiste berekeningswijze. Deze zal in de loop van 2017 worden geïmplementeerd, zodat vanaf 2017 de bezettingscijfers van deze module kunnen worden meegeteld;
  • voor dagbegeleiding in groep loopt in 2016 een experimentele fase voor het berekenen van de bezetting. Daarom is gekozen om ook voor deze typemodule de bezetting nog niet in rekening te brengen voor het totale gemiddelde van de OVBJ. De eindevaluatie van dit experimenteel traject is gebeurd. Vanaf 2017 zal de bezetting berekend worden volgens dezelfde formule als de modules contextbegeleiding en verblijf, en niet meer op basis van de benutting, zoals in de experimentele fase.

De gemiddelde bezetting van de OVBJ in 2016 is 94%. Dit is een stijging van 2% t.o.v. 2015:

  • er zijn verschuivingen in de bezetting van de typemodules verblijf en contextbegeleiding;
  • de modules voor contextbegeleiding in functie van autonoom wonen en de andere modules contextbegeleiding zijn voor de erkenning en subsidiëring communicerende vaten;
  • de gedaalde bezetting voor contextbegeleiding breedsporig wordt gecompenseerd door de hogere bezetting voor contextbegeleiding kortdurend intensief;
  • na de opstart van de module contextbegeleiding in functie van positieve heroriëntering in 2015 - met de daarbij horende opleiding, bekendmaking en geleidelijke uitrol -, is in 2016 een sterke stijging merkbaar. 
Tabel: Bezetting OVBJ
  2015 2016
OVBJ 92% 94%
Verblijf 95% 91%
CB breedsporig 119% 105%
CB in functie van autonoom wonen 88% 87%
CB in functie van positieve heroriëntering 21% 75%
CB laagintensief 90% 90%
CB kortdurend intensief 74% 85%
(Bron: Domino-BINC)

In 2016 zijn in totaal 12.513 dossiers door de OVBJ geregistreerd. 6.074 dossiers zijn opgestart en 5.302 dossiers zijn afgesloten.

In vergelijking met het totaal aantal dossiers ingevoerd door alle soorten voorzieningen in Binc (22.705 dossiers), blijkt dat de OVBJ 55% vertegenwoordigen van alle door Jongerenwelzijn erkende en vergunde organisaties. Dit is gelijk aan 2015.

Een dossier is een aaneengesloten periode van hulpverlening in eenzelfde voorziening voor een kind of jongere. Deze kan opeenvolgend of tegelijk in verschillende organisaties meerdere dossiers hebben. Daarom is het zinvol ook te kijken naar het aantal unieke minderjarigen.

Voor alle soorten voorzieningen die registreren in Binc, zijn er in totaal 18.847 unieke kinderen en jongeren (ten opzichte van 22.705 dossiers). Voor de OVBJ is er een totaal van 11.077 unieke minderjarigen (ten opzichte van 12.513 dossiers). Dit betekent een stijging ten opzichte van 2015. Toen zijn:

  • 10.248 unieke minderjarigen en 11.536 dossiers geregistreerd door de OVBJ;
  • in totaal 17.599 unieke minderjarigen en 21.099 dossiers geregistreerd.

Deze stijging van het aantal dossiers en minderjarigen is voornamelijk te verklaren door de uitbreiding van het aantal contextbegeleidingsmodules en is een gevolg van een flexibilisering van het verblijfsaanbod waardoor meer crisisopnames gerealiseerd kunnen worden.

Tabel: Aantal dossiers  en aantal unieke kinderen en jongeren OVBJ (RTJ en NRTJ)
(teleenheid: dossiers / unieke kinderen en jongeren)
  Opgestarte dossiers Afgesloten dossiers Alle dossiers
Dossiers 6.074 5.302 12.513
Unieke cliënten 5.404 4.869 11.077
(Bron: Domino-BINC)

Specifieke gegevens over kinderen en jongeren die enkel rechtstreeks toegankelijke hulp krijgen in een OVBJ

Zodra in het dossier van een minderjarige een niet-rechtstreeks toegankelijke module is ingezet, komt dit dossier aan bod in het onderdeel over de niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp in het jaarverslag. Dat is anders dan in 2015 – toen werd enkel gekeken naar de wijze van instroom in de organisatie - zodat vergelijkingen met toen voor de meeste tabellen niet mogelijk is.

In 2016 zijn 3.373 dossiers afgesloten binnen de OVBJ met enkel rechtstreeks toegankelijke modules, voor 3.159 unieke kinderen en jongeren. Een klein deel van hen heeft dus twee of meerdere dossiers in het rechtstreeks toegankelijke aanbod van de OVBJ. In deze dossiers wordt enkel contextbegeleiding, dagbegeleiding in groep, ondersteunende begeleiding en/of kortdurend crisisverblijf aangeboden. Of het betreft dossiers met crisismodules.

Tabel: Aantal afgesloten dossiers en unieke minderjarigen met een afgesloten dossier OVBJ RTJ
(teleenheid: dossiers / unieke kinderen en jongeren)
Dossiers 3.373
Unieke cliënten 3.159
(Bron: Domino-BINC)

In de meeste afgesloten dossiers met rechtstreeks toegankelijke modules is er geen gelijktijdige combinatie met een ander gemoduleerd aanbod binnen integrale jeugdhulp (67%). Vindt doorheen het traject van een kind of jongere wel een combinatie met ander gemoduleerd aanbod plaats, dan is dat meestal met een andere voorziening erkend of vergund door Jongerenwelzijn (9%). Aangezien er meerdere antwoordmogelijkheden zijn, is het totaal groter dan het aantal afgesloten dossiers. Het totaal in de tabel is niet gelijk aan de som van de aparte categorieën, omdat het aantal unieke dossiers is weergegeven.

Tabel: Aantal afgesloten dossiers naar combinatie gemoduleerd aanbod OVBJ RTJ
(teleenheid: unieke dossiers)
Combinatie met: OVBJ  %*
CAW 5 0,1%
CGG 61 1,8%
CLB 127 3,8%
JWZ 315 9,3%
K&G 29 0,9%
VAPH 58 1,7%
Crisishulpprogramma 100 3,0%
Onbekend 8 0,2%
Niet van toepassing 2.251 66,7%
Geen eindregistratie beschikbaar 516 15,3%
Totaal* 3.373  
(Bron: Domino-BINC)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

De meeste kinderen en jongeren met een dossier binnen het rechtstreeks toegankelijke aanbod van de OVBJ, zijn tussen 12 en 17 jaar bij instroom. De tabel toont het aantal unieke minderjarigen met leeftijd bij opstart van het dossier. Het grootste deel wordt begeleid in de provincie Antwerpen (32%).

Tabel: Aantal unieke kinderen en jongeren in OVBJ – RTJ, per leeftijdscategorie (afgesloten dossiers)
(teleenheid: unieke kinderen en jongeren)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal* %*
0-5 jaar 138 39 80 57 81 323 10,2%
6-11 jaar 245 91 122 130 139 726 23,0%
12-17 jaar 622 302 294 389 414 2.007 63,5%
18-21 jaar 3 7 4 6 10 30 0,9%
onbekend 0 0 1 2 1 4 0,1%
Totaal* 1.008 439 501 583 644 3.159  
%* 31,9% 13,9% 15,9% 18,5% 20,4%    
(Bron: Domino-BINC)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

22% van de aanmeldingen gebeurt door de CLB. Dit is vergelijkbaar met 2015. 16% van de aanmeldingen gebeurt door de toegangspoort. Dit zijn wellicht de dossiers met een langere begeleidingsduur waarvan de huidige rechtstreeks toegankelijke modules bij opstart nog niet-rechtstreeks toegankelijk waren. Vervolgens zijn het OCJ en de jeugdrechtbank de grootste aanmelders voor trajecten binnen het rechtstreeks toegankelijke aanbod van de OVBJ.

Tabel: Overzicht aanmelders voor OVBJ - RTJ (afgesloten dossiers)
(teleenheid: aantal unieke dossiers)
Aanmelder Aantal dossiers %
CAW 65 1,9%
CGG 76 2,3%
CLB 744 22,1%
JWZ 189 5,6%
K&G 28 0,8%
VAPH 44 1,3%
OCJ 382 11,3%
VK 41 1,2%
Jeugdrechtbank 361 10,7%
Politie/parket 44 1,3%
Crisismeldpunt 334 9,9%
School 68 2,0%
Prive-psycholoog/psychiater 104 3,1%
Huisarts 7 0,2%
Jongere/gezin 109 3,2%
Pleeggezin 11 0,3%
Toegangspoort 548 16,2%
Andere 218 6,5%
Totaal 3.373  
(Bron: Domino-BINC)

De gemiddelde begeleidingsduur van de afgesloten dossiers met rechtstreeks toegankelijke modules bij een OVBJ is 240 dagen:

  • een vijfde van de dossiers heeft een begeleidingsduur tussen 0 en 28 dagen. Dit zijn vooral dossiers met crisisopvang en/of -begeleiding, time-out, kortdurend crisisverblijf of ondersteunende begeleiding;
  • de helft kent een begeleidingsduur tussen 2 en 12 maanden;
  • een vijfde heeft een begeleidingsduur van meer dan een jaar, waarvan bijna 7% langer dan twee jaar.
Tabel: Begeleidingsduur in OVBJ – RTJ (van afgesloten dossiers)
(teleenheid: aantal dossiers)
Begeleidingsduur () Aantal dossiers %
0-28 712 21,1%
29-60 182 5,4%
61-120 360 10,7%
121-180 756 22,4%
181-365 687 20,4%
366-730 458 13,6%
>730 218 6,5%
Totaal 3.373 100,0%
(Bron: Domino-BINC)

Onderstaande tabel geeft de duur van de afzonderlijke modules weer. Crisismodules hebben allen een korte duurtijd. Contextbegeleiding in functie van positieve heroriëntering wordt meestal afgerond tussen de 4 en 6 maanden. De methodiek van positieve heroriëntering ambieert af te ronden na vier maanden.

  • bijna de helft van de modules contextbegeleiding laagintensief duurt tussen een half jaar en 1 jaar;
  • de modules contextbegeleiding breedsporig worden gemiddeld het langste ingezet: 44% duurt langer dan 1 jaar;
  • de duurtijd van de modules ondersteunende begeleiding is sterk afhankelijk van het soort ondersteunende begeleiding. Zo kan 37% afgerond worden binnen de veertien dagen: o.a. de time-out projecten die een aaneensluitende periode van ondersteuning bieden. Andere vormen van ondersteunende begeleiding kunnen een langere duur hebben aangezien ze een onderbroken vorm van ondersteuning kunnen geven;
  • 43% van de modules van dagbegeleiding in groep wordt ingezet voor een periode tussen een half jaar en 1 jaar.
Tabel: Gemiddelde duur in dagen per typemodule in OVBJ – RTJ (van afgesloten dossiers)
(teleenheid: aantal unieke kinderen en jongeren)
  bglduur: 0-14  bglduur: 15-28  bglduur: 29-60  bglduur: 61-120  bglduur: 121-180  bglduur: 181-365  bglduur: 366-730  bglduur: meer dan 730  Totaal* %*
CB breedsporig 13 16 47 66 80 314 284 75 809 25,6%
CB in functie van positieve herorientering 11 13 52 183 567 5 0 1 811 25,7%
CB laagintensief 94 26 44 107 120 390 163 18 839 26,6%
Dagbegeleiding in groep (RTJ) 4 7 23 33 51 100 48 5 230 7,3%
Ondersteunende begeleiding (projectwerking) RTJ 258 57 104 117 93 113 4 0 689 21,8%
crisisbegeleiding (op verwijzing crisismeldpunt) 42 39 7 0 0 0 0 0 83 2,6%
crisisverblijf (op verwijzing crisismeldpunt) 181 22 5 0 0 0 0 0 204 6,5%
Crisisinterventie (op verwijzing crisismeldpunt) 54 0 0 0 0 0 0 0 54 1,7%
Kortdurend crisisverblijf 110 19 2 0 0 0 0 0 124 3,9%
Totaal* 624 172 247 449 824 800 454 94 3.159  
%* 19,8% 5,4% 7,8% 14,2% 26,1% 25,3% 14,4% 3,0%    
(Bron: Domino-BINC)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

Pleegzorg

Algemeen

De diensten voor pleegzorg zijn vergund om de volgende pleegzorgvormen aan te bieden:

  • ondersteunende pleegzorg: pleegzorg ter ondersteuning van het gezin van het pleegkind of de pleeggast, hetzij voor een korte aaneengesloten periode, hetzij met afwisselend verblijf.
  • perspectiefzoekende pleegzorg: pleegzorg gedurende een periode van maximaal zes maanden, één keer verlengbaar met zes maanden, waarbij een duidelijk perspectief voor het pleegkind of pleeggast wordt ontwikkeld.
  • perspectiefbiedende pleegzorg: pleegzorg met een continu en langdurig karakter.
  • behandelingspleegzorg: een vorm van pleegzorg waarbij een dienst voor pleegzorg voorziet in een behandeling voor een pleegkind of pleeggast, of in een intensieve training en begeleiding van de pleegzorger.

Met uitzondering van behandelingspleegzorg vertalen de verschillende vormen van pleegzorg zich in een verblijfsmodule en een begeleidingsmodule die nooit apart van elkaar kunnen worden ingezet. 

De diensten voor pleegzorg richten zich ook tot meerderjarige pleeggasten. Pleegzorg voor pleeggasten is altijd rechtstreeks toegankelijk, net zoals ondersteunende en crisispleegzorg.

Perspectiefzoekende en perspectiefbiedende pleegzorg zijn niet-rechtstreeks toegankelijk. Behandelingspleegzorg wordt aangeboden bovenop perspectiefzoekende of –biedende pleegzorg maar is op zich rechtstreeks toegankelijk.

Pleegzorg kent geen programmatie en wordt niet uitgedrukt in capaciteit. De inzet van de verschillende modules of vormen van pleegzorg op 31/12/2016 geeft een indicatie van de grootte van het aanbod.

Op 31/12/2016 zijn er 6.062 pleegzorgsituaties, dat is een stijging van 7% t.o.v. 2015 en van 14% t.o.v. 2014:

  • de grootste groep vormt perspectiefbiedende pleegzorg met 4.952 pleegzorgsituaties (82%);
  • ondersteunende pleegzorg (11%) en perspectiefzoekende pleegzorg (8%) vormen een minderheid;
  • er is een kleine verschuiving (2%) van perspectiefbiedende naar ondersteunende pleegzorg.  De toename van ondersteunende pleegzorg kan verklaard worden door de bredere bekendmaking van deze module door de diensten voor pleegzorg. Bovendien is voor vele kandidaat-pleegouders een engagement voor ondersteunende pleegzorg haalbaarder dan een engagement voor de andere vormen van pleegzorg, waardoor de instap laagdrempeliger is.  

Crisisopvang wordt binnen pleegzorg weinig ingezet en mondt meestal uit in andere vormen van pleegzorg. In 2016 is de module 123 keer ingezet.

In totaal zijn er 450 pleeggasten ouder dan 21 jaar, dat zijn er 47 meer dan op 31/12/2015.

Behandelingspleegzorg wordt op 31/12/2016 ingezet bij 671 pleegkinderen of –gasten die gebruik maken van  perspectiefzoekende of perspectiefbiedende pleegzorg.

Aangezien voor pleegzorg geen capaciteit bepaald is, wordt hiervoor geen bezettingspercentage berekend.

Tabel: Inzet pleegzorg
  31/12/2015 31/12/2016
Vormen van pleegzorg Totaal % Totaal %
Ondersteunend 503 9% 649 11%
Perspectiefbiedend 4.755 84% 4.952 82%
Perspectiefzoekend 399 7% 461 8%
Totaal 5.657 100% 6.062 100%
(Bron: Domino-BINC)

In 2016 zijn in totaal 7.189 dossiers geregistreerd door de diensten voor pleegzorg. 1.534 dossiers zijn opgestart en 1.055 dossiers zijn afgesloten.

In vergelijking met het totaal aantal dossiers ingevoerd door alle soorten voorzieningen in Binc (22.705 dossiers), blijkt dat pleegzorg 31% vertegenwoordigt van de door Jongerenwelzijn erkende en vergunde organisaties. Dat is vergelijkbaar met 2015 (32%).

Een dossier is een aaneengesloten periode van hulpverlening in eenzelfde voorziening voor een pleegkind of pleeggast. Een pleegkind of pleeggast kan opeenvolgend of tegelijk in verschillende organisaties meerdere dossiers hebben. Daarom is het zinvol te kijken naar het aantal unieke pleegkinderen of pleeggasten die worden geregistreerd.

Voor alle soorten voorzieningen die registreren in Binc, zijn er in totaal 18.847 unieke kinderen en jongeren (ten opzichte van 22.705 dossiers). Voor de diensten voor pleegzorg is dit een totaal van 7.012 unieke minderjarigen (ten opzichte van 7.189 dossiers). Dit betekent een stijging ten opzichte van 2015. Toen zijn:  

  • 6.534 unieke minderjarigen en 6.761 dossiers geregistreerd door de diensten voor pleegzorg;
  • in totaal 17.599 unieke minderjarigen en 21.099 dossiers geregistreerd.
Tabel: Aantal dossiers en aantal unieke pleegkinderen en pleeggasten (RTJ en NRTJ)
(teleenheid: dossiers, unieke pleegkinderen en -gasten)
  Opgestarte dossiers Afgesloten dossiers Alle dossiers
Dossiers 1.534 1.055 7.189
Unieke cliënten 1.460 1.009 7.012
(Bron: Domino-BINC)

Specifieke gegevens over kinderen en jongeren die enkel rechtstreeks toegankelijke hulp krijgen in een dienst voor pleegzorg

Onderstaande cijfers gaan over de in 2016 afgesloten dossiers met enkel een rechtstreeks toegankelijke module ondersteunende pleegzorg of crisispleegzorg. Zodra in het dossier van een kind of jongere een niet-rechtstreeks toegankelijke pleegzorgmodule is aangeboden, wordt dit dossier meegeteld in het onderdeel van het jaarverslag over de niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp. Omdat dit anders is dan in 2015 – toen is enkel gekeken naar de wijze van instroom -, is een vergelijking met toen voor de meeste tabellen niet mogelijk.

In 2016 zijn 336 dossiers, voor 309 unieke pleegkinderen en –gasten, afgesloten door de diensten voor pleegzorg met enkel een module ondersteunende pleegzorg of crisispleegzorg. Een klein deel van hen heeft dus twee of meer dossiers in het rechtstreeks toegankelijke aanbod van de diensten voor pleegzorg.

Tabel: Aantal afgesloten dossiers en unieke pleegkinderen en -gasten met een afgesloten dossier pleegzorg RTJ
(teleenheid: dossiers / unieke pleegkinderen en -gasten)
Dossiers 336
Unieke cliënten 309
(Bron: Domino-BINC)

In de meeste afgesloten dossiers is er geen gelijktijdige combinatie met een ander gemoduleerd aanbod binnen integrale jeugdhulp (64%). Vindt doorheen het traject van pleegkind of pleeggast wel een combinatie met ander gemoduleerd aanbod plaats, dan is dat meestal met een andere voorziening erkend of vergund door Jongerenwelzijn (24%).

Aangezien er meerdere antwoordmogelijkheden zijn, is het totaal groter dan het aantal afgesloten dossiers. Het totaal weergegeven in de tabel is niet gelijk aan de som van de aparte categorieën, omdat het aantal unieke dossiers is weergegeven.

Tabel: Aantal afgesloten dossiers naar combinatie gemoduleerd aanbod pleegzorg RTJ
(teleenheid: unieke dossiers)
Combinatie met: Pleegzorg %*
CAW 0 0,0%
CGG 3 0,9%
CLB 4 1,2%
JWZ 82 24,4%
K&G 10 3,0%
VAPH 16 4,8%
Crisishulpprogramma 4 1,2%
Onbekend 0 0,0%
Niet van toepassing 216 64,3%
Geen eindregistratie beschikbaar 7 2,1%
Totaal* 336  
(Bron: Domino-BINC)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

De meeste pleegkinderen en -gasten met een dossier binnen het rechtstreeks toegankelijke aanbod van de diensten voor pleegzorg, zijn tussen 0 en 5 jaar bij instroom. De tabel toont het aantal per leeftijdscategorie bij opstart van het dossier. De module ondersteunende pleegzorg is voor 5 pleeggasten ingezet. In de provincie Antwerpen worden de meeste pleegkinderen begeleid, in Limburg het kleinste aantal.

Tabel: Aantal unieke pleegkinderen en pleeggasten RTJ, per leeftijdscategorie (afgesloten dossiers)
(teleenheid: unieke pleegkinderen en -gasten)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant -Brussel West-Vlaanderen Totaal* %*
0-5 jaar 56 6 20 16 24 121 39,2%
6-11 jaar 31 7 8 22 30 98 31,7%
12-17 jaar 28 7 11 7 29 82 26,5%
18-21 jaar 2 0 1 0 1 4 1,3%
> 21 jaar 2 0 1 0 2 5 1,6%
onbekend 0 0 0 0 0 0 0,0%
Totaal* 119 20 41 45 85 309  
%* 38,5% 6,5% 13,3% 14,6% 27,5%    
(Bron: Domino-BINC)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

In 32% van de dossiers meldt het pleegkind of de pleeggast, of het gezin, zelf aan. In 18% van de dossiers meldt de jeugdrechtbank aan voor een module ondersteunende pleegzorg of crisispleegzorg.  De aanmeldingen via het crisismeldpunt zijn nog beperkt. Maar het crisisaanbod zal in 2017 achter het crisismeldpunt komen, waardoor dit percentage wellicht zal stijgen.

Tabel: Overzicht aanmelders voor pleegzorg - RTJ (afgesloten dossiers)
(teleenheid: aantal unieke dossiers)
Aanmelder Aantal dossiers %
CAW 5 1,5%
CGG 1 0,3%
CLB 13 3,9%
JWZ 7 2,1%
K&G 7 2,1%
VAPH 1 0,3%
OCJ 28 8,3%
VK 7 2,1%
Jeugdrechtbank 59 17,6%
Politie/parket 0 0,0%
Crisismeldpunt 4 1,2%
School 7 2,1%
Prive-psycholoog/psychiater 2 0,6%
Huisarts 0 0,0%
Jongere/gezin 106 31,5%
Pleeggezin 15 4,5%
Toegangspoort 23 6,8%
Andere 51 15,2%
Totaal 336  
(Bron: Domino-BINC)

De gemiddelde begeleidingsduur van de afgesloten dossiers met rechtstreeks toegankelijke modules  van een dienst voor pleegzorg is 180 dagen:

  • 37% van de dossiers heeft een begeleidingsduur tussen 0 en 28 dagen;
  • 15% heeft een begeleidingsduur van langer dan een jaar. Dit is mogelijk met de onderbroken ondersteunende begeleiding.
Tabel: Begeleidingsduur in pleegzorg – RTJ (van afgesloten dossiers)
(teleenheid: aantal dossiers)
Begeleidingsduur () Aantal dossiers %
0-28 123 36,6%
29-60 40 11,9%
61-120 56 16,7%
121-180 21 6,3%
181-365 45 13,4%
366-730 33 9,8%
>730 18 5,4%
Totaal 336 100,0%
(Bron: Domino-BINC)

Onderstaande tabel geeft van de afgesloten dossiers met enkel rechtstreeks toegankelijke modules, de duur van de afzonderlijke modules weer.

  • Alle crisismodules hebben een korte duurtijd;
  • Ondersteunende pleegzorg korte duur heeft als doel gedurende een korte, aaneensluitende periode van 3 maanden ondersteuning te bieden. Een deel van die modules blijkt een langere periode ingezet. Dit is wellicht vaak in functie van overbrugging tot er een alternatief wordt gevonden voor het pleegkind;
  • De module ondersteunende pleegzorg lage frequentie heeft als doel onderbroken ondersteuning te bieden aan het gezin. Daarom kunnen deze modules een lange duurtijd hebben.
Tabel: Gemiddelde duur in dagen per typemodule in pleegzorg – RTJ (van afgesloten dossiers)
(teleenheid: aantal unieke pleegkinderen en -gasten)
  bglduur: 0-14  bglduur: 15-28  bglduur: 29-60  bglduur: 61-120  bglduur: 121-180  bglduur: 181-365  bglduur: 366-730  bglduur: meer dan 730  Totaal* %*
Begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen, pleegkinderen of pleeggasten [crisispleegzorg] 92 2 0 0 0 0 0 0 94 30,4%
Crisisverblijf in een pleeggezin 95 2 0 0 0 0 0 0 97 31,4%
Begeleiding voor pleeggezinnen, gezinnen, pleegkinderen of pleeggasten [ondersteunende pleegzorg] 48 24 41 56 25 44 32 14 259 83,8%
Verblijf in een pleeggezin [ondersteunend - korte duur] 43 22 32 36 14 13 1 0 151 48,9%
Verblijf in een pleeggezin [ondersteunend - lage frequentie] 5 2 9 22 11 31 32 14 118 38,2%
Behandeling in het kader van pleegzorg 0 0 1 1 0 0 0 0 2 0,6%
Totaal* 127 26 41 56 25 44 33 14 309  
%* 41,1% 8,4% 13,3% 18,1% 8,1% 14,2% 10,7% 4,5%    
(Bron: Domino-BINC)
*Aangezien een dossier meerdere modules kan bevatten, is de som van de aparte categorieën niet gelijk aan het totaal en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

Centra voor integrale gezinszorg

Algemeen

De centra voor integrale gezinszorg (CIG) zorgen voor de begeleiding en het verblijf van ouders (al dan niet alleenstaand) en hun kinderen, en van aanstaande ouders, bij wie de gezinscohesie, de zorg voor de komende generatie en de maatschappelijke integratie in het gedrang komen of al verstoord zijn. De opvang en begeleiding door de CIG is gericht op het verbeteren van de opvoedingscontext en van de relationele, individuele, familiale en maatschappelijke context en heeft finaal als doel de maatschappelijke integratie.

De CIG zijn erkend op basis van de typemodules contextbegeleiding, verblijf van gemiddeld één tot drie nachten per week en verblijf van gemiddeld vier tot zeven nachten per week. De CIG bieden ook kortdurend crisisverblijf aan.

Daarnaast hebben verschillende CIG een engagement in de crisisnetwerken, onder de vorm van modules crisisopvang en/of crisisbegeleiding. Deze modules kunnen enkel ingezet worden op verwijzing van het crisismeldpunt.

De erkende capaciteit voor de CIG wordt uitgedrukt in inzetbare modules. De capaciteit is in 2016 dezelfde als in 2015.

Tabel: Erkende capaciteit in modules CIG
(teleenheid: aantal erkende modules)
  31/12/2015 31/12/2016
Verblijf voor (aanstaande) ouder(s) en kind(eren) - NRTJ 126 126
CB voor (aanstaande) ouder(s) en kind(eren) - RTJ 223 223
(Bron: Domino-BINC)

De bezettingsgraad geeft aan in welke mate de totale capaciteit van een module daadwerkelijk bezet wordt gedurende een bepaalde periode. Dit percentage wordt bepaald door de effectieve inzet te delen door de beschikbare capaciteit in die periode.

De CIG hebben in 2016 een gemiddelde bezetting van 92%. De bezetting van verblijf en van contextbegeleiding zijn eveneens 92%. De bezetting is met 1% gestegen ten opzichte van vorig jaar, door een iets hogere bezetting van de verblijfsmodule.

Tabel: Bezetting CIG
  2015 2016
CIG 91% 92%
Verblijf voor (aanstaande) ouder(s) en kind(eren)  90% 92%
CB voor (aanstaande) ouder(s) en kind(eren) - RTJ 92% 92%
(Bron: Domino-BINC)

In 2016 zijn in totaal 446 dossiers door de CIG geregistreerd. 235 dossiers zijn opgestart en 241 dossiers zijn afgesloten.

In vergelijking met het totaal aantal dossiers ingevoerd door alle soorten voorzieningen in Binc (22.705 dossiers), blijkt dat de CIG 2% vertegenwoordigen. Dit is hetzelfde percentage als in 2015. 

Een dossier is een aaneengesloten periode van hulpverlening in eenzelfde voorziening voor een kind of jongere. Die kan - opeenvolgend of tegelijk - in verschillende organisaties meerdere dossiers hebben. Vandaar dat het zinvol is te kijken naar het aantal unieke minderjarigen die zijn geregistreerd.

Voor alle soorten voorzieningen die registreren in Binc, zijn er in totaal 20.752 unieke kinderen en jongeren (ten opzichte van 22.705 dossiers). Voor de CIG is dit een totaal van 432 unieke minderjarigen (ten opzichte van 446 dossiers). Dat betekent een daling t.o.v. 2015. Toen zijn er:

  • 451 unieke minderjarigen en 460 dossiers geregistreerd door de CIG;
  • in totaal 17.599 unieke minderjarigen en 21.099 dossiers geregistreerd.
Tabel: Aantal dossiers en aantal unieke kinderen en jongeren CIG  (RTJ en NRTJ)
(teleenheid: dossiers, unieke minderjarigen)
  Opgestarte dossiers Afgesloten dossiers Alle dossiers
Dossiers 235 241 446
Unieke cliënten 227 235 432
(Bron: Domino-BINC)

Specifieke gegevens over kinderen en jongeren die enkel rechtstreeks toegankelijke hulp krijgen in een CIG

Dit luik toont de in 2016 afgesloten dossiers met enkel rechtstreeks toegankelijke modules in het traject van een kind of jongere. Zodra in een dossier een niet-rechtstreeks toegankelijke module is ingezet, wordt dit dossier meegeteld in het onderdeel over de niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp. Omdat dit anders is dan in 2015 – toen werd enkel gekeken naar de wijze van instroom -, is vergelijking met toen voor de meeste tabellen niet mogelijk.

In 2016 zijn 97 dossiers afgesloten binnen de CIG met enkel rechtstreeks toegankelijke modules. Dit voor evenveel unieke kinderen en jongeren. In deze dossiers zijn enkel modules contextbegeleiding, rechtstreeks toegankelijke verblijfsmodules en/of crisismodules aangeboden.

Tabel: Aantal afgesloten dossiers en unieke kinderen en jongeren met een afgesloten dossier CIG RTJ
(teleenheid: dossier / unieke minderjarigen)
Dossiers 97
Unieke cliënten 97
(Bron: Domino-BINC)

In de meeste afgesloten dossiers met rechtstreeks toegankelijke modules, is er geen gelijktijdige combinatie met een ander gemoduleerd aanbod binnen integrale jeugdhulp (74%). Vindt doorheen het traject van een kind of jongere wel een combinatie met ander gemoduleerd aanbod plaats, dan is dat meestal met een andere voorziening erkend of vergund door Jongerenwelzijn (19%).

Aangezien er meerdere antwoordmogelijkheden zijn, is het totaal in deze tabel groter dan het aantal afgesloten dossiers. Het totaal in de tabel is niet gelijk aan de som van de aparte categorieën, omdat het aantal unieke dossiers is weergegeven.

Tabel: Aantal afgesloten dossiers naar combinatie gemoduleerd aanbod CIG RTJ
(teleenheid: unieke dossiers)
Combinatie met: CIG %*
CAW 0 0,0%
CGG 5 5,2%
CLB 0 0,0%
JWZ 18 18,6%
K&G 8 8,2%
VAPH 0 0,0%
Crisishulpprogramma 2 2,1%
Onbekend 1 1,0%
Niet van toepassing 72 74,2%
Geen eindregistratie beschikbaar 0 0,0%
Totaal* 97  
(Bron: Domino-BINC)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

De meeste kinderen en jongeren met een dossier binnen het rechtstreeks toegankelijke aanbod van de CIG, zijn tussen 0 en 5 jaar bij instroom. 13% van de dossiers is voor een ongeboren kind. Ook voor hen wordt een dossier opgemaakt, aangezien zij meetellen voor de bezetting van de organisatie. De tabel toont het aantal unieke minderjarigen met leeftijd bij opstart van het dossier. De meeste kinderen en jongeren worden begeleid in de provincie Antwerpen. Vlaams-Brabant en Brussel hebben het kleinste aandeel van de dossiers.

Tabel: Aantal unieke kinderen en jongeren in CIG – RTJ, per leeftijdscategorie (afgesloten dossiers)
(teleenheid: unieke minderjarigen)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant -Brussel West-Vlaanderen Totaal* %*
0-5 jaar 27 4 3 4 15 53 54,6%
6-11 jaar 8 3 0 1 6 18 18,6%
12-17 jaar 1 0 5 1 1 8 8,2%
18-21 jaar 0 0 4 0 0 4 4,1%
Ongeboren 8 2 1 0 2 13 13,4%
Totaal* 44 9 14 6 24 97  
%* 45,4% 9,3% 14,4% 6,2% 24,7%    
(Bron: Domino-BINC)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

14% van de aanmeldingen gebeurt door ‘andere’. Bijna evenveel keer gebeurt de aanmelding door de jeugdrechtbank of de jongere en/of zijn gezin zelf. In 10% van de dossiers meldt het crisismeldpunt aan, een even groot aandeel wordt aangemeld door een partner binnen Kind & Gezin.

Tabel: Overzicht aanmelders voor CIG - RTJ (afgesloten dossiers)
(teleenheid: aantal unieke dossiers)
Aanmelder Aantal dossiers %
CAW 8 8,2%
CGG 2 2,1%
CLB 1 1,0%
JWZ 5 5,2%
K&G 10 10,3%
VAPH 0 0,0%
OCJ 9 9,3%
VK 5 5,2%
Jeugdrechtbank 13 13,4%
Politie/parket 0 0,0%
Crisismeldpunt 10 10,3%
School 0 0,0%
Prive-psycholoog/psychiater 1 1,0%
Huisarts 0 0,0%
Jongere/gezin 13 13,4%
Pleeggezin 0 0,0%
Toegangspoort 6 6,2%
Andere 14 14,4%
Totaal 97  
(Bron: Domino-BINC)

De gemiddelde begeleidingsduur van de afgesloten dossiers met rechtstreeks toegankelijke modules binnen een CIG is 278 dagen:

  • een vijfde van de dossiers heeft een begeleidingsduur tussen 0 en 28 dagen. Dit zijn hoofdzakelijk de crisisdossiers;
  • bijna een kwart van de afgesloten dossiers kent een begeleidingsduur tussen 1 en 2 jaar;
  • bijna 10% wordt langer dan 2 jaar begeleid.
Tabel: Begeleidingsduur in CIG – RTJ (van afgesloten dossiers)
(teleenheid: aantal dossiers)
Begeleidingsduur (dagen) Aantal dossiers %
0-28 19 19,6%
29-60 7 7,2%
61-120 20 20,6%
121-180 6 6,2%
181-365 13 13,4%
366-730 23 23,7%
>730 9 9,3%
Totaal 97 100,0%
(Bron: Domino-BINC)

Onderstaande tabel toont van de afgesloten dossiers met enkel rechtstreeks toegankelijke modules, de duur van de afzonderlijke modules:

  • crisismodules hebben allemaal een korte duurtijd;
  • de module contextbegeleiding voor (aanstaande) ouder(s) en kind(eren) kent het grootste aandeel. In 29% van de dossiers duurt deze module tussen 1 en 2 jaar;
  • de module verblijf voor (aanstaande) ouder(s) en kind(eren) rechtstreeks toegankelijk wordt ingezet voor het ongeboren kind van een meerderjarige aanstaande mama die wordt begeleid door het CIG. Deze module kent een variabele duurtijd; zodra het kind geboren is, wijzigt de verblijfsmodule naar niet-rechtstreeks toegankelijk;
  • de module verblijf kan in functie van gezinsopname ingezet worden voor minderjarigen die mee verblijven in het CIG bij een ander gezinslid voor wie een niet-rechtstreeks toegankelijke verblijfsmodule wordt ingezet. Deze module duurt in 63% van de dossiers tussen 2 en 4 maanden.
Tabel: Gemiddelde duur in dagen per typemodule in CIG – RTJ (van afgesloten dossiers)
(teleenheid: unieke kinderen en jongeren)
  bglduur: 0-14  bglduur: 15-28  bglduur: 29-60  bglduur: 61-120  bglduur: 121-180  bglduur: 181-365  bglduur: 366-730  bglduur: meer dan 730  Totaal* %*
Crisisverblijf (op verwijzing crisismeldpunt) 10 0 0 0 0 0 0 0 10 10,3%
Kortdurend crisisverblijf 2 0 0 0 0 0 0 0 2 2,1%
CB voor (aanstaande) ouder(s) en kind(eren) 13 3 10 18 7 16 27 3 93 95,9%
Verblijf voor (aanstaande) ouder(s) en kind(eren) (hoge frequentie) rechtstreeks toegankelijk. 1 1 3 1 2 1 0 0 9 9,3%
Verblijf voor (aanstaande) ouder(s) en kind(eren) (hoge frequentie) in functie van gezinsopname 2 2 2 12 1 0 0 0 19 19,6%
Verblijf voor (aanstaande) ouder(s) en kind(eren) (lage frequentie) in functie van gezinsopname 0 0 2 0 0 0 0 0 2 2,1%
Totaal* 15 5 10 18 7 16 27 3 97  
%* 15,5% 5,2% 10,3% 18,6% 7,2% 16,5% 27,8% 3,1%    
(Bron: Domino-BINC)
*Door het werken met unieke aantallen per categorie, is het totaal niet gelijk aan de som van de aparte categorieën en zijn de percentages opgeteld niet 100%.

Herstelgerichte en constructieve afhandeling

De diensten herstelgerichte en constructieve afhandeling (HCA) hanteren vier afhandelingsvormen:

  • gemeenschapsdienst: een maatregel uitgesproken door de jeugdrechter waarbij de minderjarige die een MOF pleegde een bepaald aantal uur moet werken. Gemeenschapsdienst wordt omschreven als een prestatie van opvoedkundige aard en algemeen nut en is doorgaans beter bekend als werkstraf.
  • leerproject: dit geeft een minderjarige die een MOF pleegde de kans om over zijn gedrag, de feiten en de gevolgen na te denken. Er wordt stilgestaan bij zijn voorgeschiedenis en toekomstperspectieven. Er zijn leerprojecten van 10, 20 en 40 uur.
  • herstelbemiddeling: een voorstel van het parket of de jeugdrechtbank aan de minderjarige dader (en zijn ouders) en het slachtoffer van een misdrijf. Met ondersteuning van een neutrale bemiddelaar wordt gezocht naar een mogelijke vorm van herstel en/of van communicatie omtrent de feiten en gevolgen ervan.
  • herstelgericht groepsoverleg (hergo): een kringgesprek waarbij de jongere - samen met zijn ouders, enkele mensen uit zijn omgeving en het slachtoffer - op zoek gaat naar mogelijkheden om zijn fout zo goed mogelijk te herstellen. Hergo is een voorstel van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank.

Als deel van innovatieve projecten organiseren de HCA-diensten  vanaf 2016 ook leergroepen voor jongeren in de gemeenschapsinstellingen.

Het aantal aanmeldingen voor HCA kende in 2008, kort na de inwerkingtreding van de laatste wijziging aan de jeugdwet, een hoogtepunt. Nadien nam het aantal aanmeldingen gestaag af, tot er in 2015 een nieuw keerpunt kwam.

In 2016 is er een stijging van iets meer dan 14% ten opzichte van 2015. Dat geldt voor alle afhandelingsvormen, uitgenomen de hergo’s. Deze stijging betekent niet dat meer jongeren een misdrijf hebben gepleegd. Een deel van de stijging is te verklaren door de opstart van innovatieve projecten, met vooral een herstelgericht aanbod voor jongeren in de gemeenschapsinstellingen (n=38) en in mindere mate leerprojecten en gemeenschapsdiensten  op parketniveau. De grootste stijging zit bij herstelbemiddeling, deze worden voornamelijk aangemeld op parketniveau.

Tabel: Overzicht herstelgerichte en constructieve afhandeling
(teleenheid: aanmeldingen)
  Gemeenschaps-dienst Leerproject 10 uur Leerproject 20 uur Leerproject 40 uur Herstel-bemiddeling Hergo Leergroep GI Totaal
2013 515 0 608 39 2.847 91   4.100
2014 419 0 532 107 2.959 60   4.077
2015 439 4 565 104 3.133 61   4.306
2016 501 52 610 105 3.517 53 38 4.928
(Bron: Domino-BINC)